ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging huishoudelijke hulp Wmo wegens voorliggende AWBZ-voorziening
Betrokkenen, allen met een psychogeriatrische aandoening, woonden zelfstandig en waren geïndiceerd voor ZZP 5 onder de AWBZ, inclusief huishoudelijke verzorging. Het college kende hen hulp bij het huishouden toe op grond van de Wmo tot 23 mei 2010, waarna het stelde dat de AWBZ-voorziening voorliggende zorg betreft.
De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar van betrokkenen tegen beëindiging van de Wmo-hulp ongegrond, omdat de AWBZ-indicatie voor huishoudelijke verzorging verzilverbaar was. Betrokkenen gingen in hoger beroep en betoogden dat huishoudelijke hulp geen zelfstandige AWBZ-aanspraak vormt en dat zij aangewezen zijn op de Wmo.
De Raad oordeelde dat de AWBZ-indicatie recht geeft op volledige zorg uit ZZP 5, inclusief huishoudelijke hulp, en dat het college de Wmo-voorziening terecht heeft beëindigd. Het beroep op gewekte verwachtingen faalde, mede omdat betrokkenen tijdig schriftelijk waren geïnformeerd. De uitspraak van de voorzieningenrechter werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat huishoudelijke hulp via de Wmo wordt beëindigd omdat betrokkenen aanspraak hebben op een voorliggende AWBZ-voorziening.