10/6495 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
21 oktober 2010, 09/4911 (aangevallen uitspraak)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 1 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn vervolgens nadere medische stukken in het geding gebracht, waarop het Uwv heeft gereageerd door toezending van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 2 augustus 2012.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2012. Namens appellante is
mr. Bovenkamp verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv opgedragen dat de bezwaarverzekeringsarts zal onderzoeken of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij appellante vanaf 3 januari 2008, waarbij alles wat bekend is aan medische stukken dient te worden meegenomen.
Vervolgens heeft het Uwv, onder toezending van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 12 oktober 2012, nader verweer gevoerd. Naar aanleiding hiervan hebben partijen over en weer gereageerd.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bovenkamp en de dochter van appellante. Het Uwv heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Koning.
OVERWEGINGEN
1. Appellante was werkzaam als inpakster toen zij in 1982 is uitgevallen uit dit werk als gevolg van psychische en lichamelijke klachten. Met ingang van 4 maart 1983 is aan haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1998 is zij naar Turkije geremigreerd.
2.1. In verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit is appellante in 2005 aan een herbeoordeling onderworpen. Appellante is in Turkije onderzocht en van deze bevindingen is een uitgebreid medisch rapport opgesteld. Naar aanleiding van dit rapport is appellante in Nederland onderzocht door psychiater W.J. Lubberding en reumatoloog
dr. G.H.C. Schardijn, die van hun bevindingen aan het Uwv verslag hebben gedaan. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft een arts van het Uwv op 10 januari 2007 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Schattingsbesluit zoals dat luidde tot 1 oktober 2004 (oSB). De FML van 10 januari 2007 is op 14 juni 2007 omgezet naar de criteria van het oSB, waarbij de functionele mogelijkheden voor appellante ongewijzigd zijn gebleven.
2.2. Naar aanleiding van deze herbeoordeling in 2005, heeft het Uwv uiteindelijk, na bezwaar, beroep en hoger beroep, bij besluit van 18 januari 2010 de WAO-uitkering van appellante herzien met ingang van 3 januari 2008 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2.3. Bij uitspraak van de Raad van 22 september 2010 (LJN BN8039) is, voor zover nog van belang, het beroep tegen het besluit van 18 januari 2010 ongegrond verklaard. Over de medische grondslag heeft de Raad overwogen dat hem uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet is gebleken dat de artsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen van appellante onvoldoende rekening hebben gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten noch dat er overigens sprake is van een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht, die twijfel doen rijzen over de juistheid van de FML van
14 juni 2007. De door appellante verstrekte inlichtingen van de behandelend sector zien alle op de gezondheidstoestand van appellante ruim na de datum in geding, 3 januari 2008. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kon de Raad in het kader van die procedure geen rekening houden.
3.1. Terwijl de in rechtsoverweging 2.2 weergegeven procedure liep, heeft appellante het Uwv op 4 december 2008 verzocht om een herbeoordeling in het kader van de WAO omdat zij psychisch niet in staat is om te functioneren.
3.2. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de verzekeringsarts psychiater Lubberding verzocht om appellante opnieuw te onderzoeken en hierbij de door appellante overgelegde medische informatie te betrekken. Hierop heeft de psychiater appellante onderzocht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 9 januari 2009. Na kennisneming van dit rapport is de verzekeringsarts tot het oordeel gekomen dat de medische situatie van appellante na 3 januari 2008 niet is veranderd.
3.3. Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het Uwv appellante vervolgens bericht dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen, zodat zij met ingang van 3 januari 2008 niet toegenomen arbeidsongeschikt kan worden geacht. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 17 september 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe als volgt overwogen.
4.1. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben in hun rapportages van respectievelijk 19 januari 2009 en 15 september 2009 geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de medische situatie van appellante is veranderd. Met betrekking tot de geclaimde toegenomen psychische klachten heeft de verzekeringsarts een psychiatrische expertise laten verrichten door de psychiater (Lubberding) die haar ook eerder heeft onderzocht. Lubberding heeft desgevraagd expliciet gesteld dat de psychiatrische situatie van appellante niet is veranderd. De gegevens die appellante heeft overgelegd van de behandelend artsen uit Turkije wijzen niet op een wijziging. Het is evident dat de sociale aspecten een rol spelen en dat het voor appellante moeilijk is dat ze nu afhankelijk is van financiële hulp van haar kinderen. Dit laatste is echter geen medische afweging maar een maatschappelijke afweging, aldus de bezwaarverzekeringsarts.
4.2. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee afdoende toegelicht waarom er voor de (bezwaar)verzekeringsarts geen aanleiding heeft bestaan om nadere informatie in te winnen en waarom het niet inwinnen van informatie in dit geval niet onzorgvuldig kan worden geacht. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten.
4.3. De rechtbank volgt appellante niet in haar stelling dat de conclusies van psychiater Lubberding onvoldoende zijn gemotiveerd en dat zijn conclusies ten aanzien van de vraag die voorligt, namelijk of de psychische problematiek van appellante is gewijzigd, onduidelijk is. In zijn rapportage van 9 januari 2009 heeft Lubberding uitvoerig beschreven wat de huidige klachten van appellante zijn, wat zijn bevindingen zijn, hoe zijn diagnose luidt, welke medicatie appellante gebruikt en hoe de prognose van appellante door hem wordt ingeschat. Uit e-mailcorrespondentie tussen de verzekeringsarts en Lubberding blijkt voorts dat Lubberding de vraag, of de conclusie dat de medische situatie van appellante niet is veranderd ten opzichte van de laatste beoordeling, bevestigend heeft beantwoord.
4.4. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is en dat het Uwv op goede gronden heeft kunnen oordelen dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De omstandigheid dat het Uwv bij besluit van 10 (de Raad begrijpt: 18) januari 2010 het bezwaar van appellante tegen de intrekking van haar WAO-uitkering met ingang van 3 januari 2008 gegrond heeft verklaard en deze uitkering met ingang van die datum heeft gecontinueerd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, maakt dit oordeel niet anders. De mate van arbeidsongeschiktheid is immers op grond van arbeidskundige argumenten aangepast. De medische beoordeling is ongewijzigd gebleven.
5. In hoger beroep heeft appellante haar gronden in eerdere fasen van de procedure in essentie herhaald. Volgens appellante was het medisch onderzoek daarom onzorgvuldig omdat het Uwv naar aanleiding van de brief van psychiater Lubberding nadere informatie van haar behandelaars in Turkije had moeten opvragen. Ook acht appellante het advies van Lubberding niet concludent.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. In deze zaak ligt voor de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat appellante met ingang van 3 januari 2008 niet toegenomen arbeidsongeschikt is omdat haar medische beperkingen niet zijn toegenomen.
6.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak die tot dit oordeel hebben geleid, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4, maakt deze tot de zijne en voegt hieraan nog het volgende toe.
6.3. Uit de uitspraak van 22 september 2010 van de Raad (zie rechtsoverweging 2.3) volgt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak bij het onder 6.1 weergegeven oordeel terecht is uitgegaan van de medische situatie van appellante op 3 januari 2008, zoals weergegeven in de FML van 14 juni 2007. In genoemde uitspraak heeft de Raad immers de gronden tegen de medische grondslag van het besluit van 18 januari 2010 verworpen.
6.4. Als uitgangspunt dient vervolgens dat het, bij een aanvraag om herziening van de WAO-uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid, op de weg van appellante ligt om (een begin van) bewijs aan te dragen dat sprake is van een toename van medische beperkingen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 4 november 2005, LJN 5643). Dit bewijs dient wel betrekking te hebben op de datum in geding. Eerst dan rust op het Uwv de verplichting om (nader) onderzoek te verrichten.
6.5. Tegen de achtergrond van de (uitvoerige) onderzoeken naar de medische situatie van appellante in Turkije en in Nederland, en de rapportages van de verzekeringsartsen, waaronder de uitgebreide rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 15 september 2009, is appellante er, ook in hoger beroep, niet in geslaagd aannemelijk te maken dat haar medische beperkingen ten opzichte van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van
14 juni 2007 zijn toegenomen in de periode van 3 januari 2008 tot 4 december 2008. Bij brief van 18 juli 2012 heeft appellante in hoger beroep weliswaar vier (vertaalde) verklaringen van Turkse artsen in het geding gebracht, gedateerd februari en maart 2012. Maar zoals de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 2 augustus 2012 terecht heeft opgemerkt, voegen deze verklaringen, voor zover ze al betrekking hebben op de datum in geding, geen nieuwe gegevens toe. Bovendien zijn de verklaringen (zeer) summier en niet onderbouwd. Deze verklaringen geven dan ook geen (begin van) bewijs dat bij appellante sprake is van toegenomen medische beperkingen. Terecht heeft het Uwv in deze informatie geen aanleiding gezien om nader onderzoek te verrichten naar de psychische gesteldheid van appellante.
6.6. De grond, ten slotte, dat de rechtbank ten onrechte het Uwv niet heeft veroordeeld in de kosten van de procedure omdat met het besluit van 18 januari 2010 deels tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, kan evenmin slagen. Dit besluit valt immers buiten de omvang van het onderhavige geding en bovendien heeft de Raad het Uwv al veroordeeld voor de kosten van de procedure waarin dit besluit (mede) aan de orde was in zijn uitspraak van 22 september 2010 (zie rechtsoverweging 2.3).
6.7. Gelet op de overwegingen 6.1 tot en met 6.6 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.S. van der Kolk en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2013.
(getekend) E. Heemsbergen