ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds juni 2007 in dienst bij een restaurant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die eindigde per 28 december 2008. Op 28 oktober 2008 stopte appellant met werken en vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV wees het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van de uitkering in 2009 af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en wees de WW-uitkering af.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij ten onrechte op 28 oktober 2008 ontslagen zou zijn en dat de werkloosheid pas op 28 december 2008 was ingetreden. Het UWV nam in juli 2012 een nieuw besluit waarin werd vastgesteld dat appellant recht had op een WW-uitkering vanaf 28 oktober 2008, maar dat deze wegens verwijtbare werkloosheid niet werd uitgekeerd.
De Raad oordeelde dat appellant zelf ontslag had genomen op 28 oktober 2008 en dat er geen sprake was van een ontslag op staande voet door de werkgever. Brieven van appellant waarin hij het ontslag betwistte, boden onvoldoende bewijs. Ook het feit dat appellant in maart 2009 de nietigheid van het ontslag inriep en arbeid wilde hervatten, veranderde niets aan het moment van werkloosheid.
De Raad vernietigde het eerdere besluit van het UWV en verklaarde het beroep tegen dat besluit gegrond, maar wees het beroep tegen het besluit van 17 juli 2012 af. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 22 september 2009 wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 17 juli 2012 wordt ongegrond verklaard.