ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3195

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-896 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onjuist hoofdverblijf

Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme melding over haar woon- en leefsituatie startte de gemeente Arnhem een onderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat de woning op het uitkeringsadres van 6 februari 2008 tot 16 september 2009 was afgesloten van gas en elektriciteit en dat appellante afwisselend elders verbleef.

Het college besloot de bijstand met ingang van 11 december 2009 te beëindigen en in te trekken over de periode van 1 september 2008 tot 11 december 2009, omdat appellante niet aannemelijk kon maken dat zij haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Appellante tekende bezwaar aan tegen de intrekking, maar dit werd grotendeels afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep voerde appellante aan dat het huisbezoek niet op redelijke gronden was uitgevoerd en dat haar toestemming niet vrijwillig was gegeven. De Raad oordeelde dat er wel een redelijke grond was voor het huisbezoek, dat de toestemming rechtsgeldig was en dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door haar werkelijke woonsituatie niet te melden.

Gelet op deze feiten en het beleidskader was het college bevoegd de bijstand in te trekken. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.

Uitspraak

11/896 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 december 2010, 10/3373 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Datum uitspraak 5 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Klijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2012. Voor appellante is mr. Klijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A.A. van Wees.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1 Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding op 16 juni 2009 dat appellante samenwoont met [D.] op een ander adres dan het opgegeven adres [adres 1] (uitkeringsadres), dat haar woning leeg staat en is afgesloten van gas en elektriciteit en dat appellante en [D.] meer dan een jaar geleden meubels hebben verwisseld, zodanig dat alle goede spullen zijn meegenomen naar de woning van [D.] aan de [adres 2], heeft de Dienst inwonerszaken van de gemeente Arnhem (Dienst) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de Dienst tweemaal een wooncontrole gedaan op het uitkeringsadres, op 19 oktober 2009 een buurtonderzoek gedaan aan de [adres 2] en de gas-, elektriciteit- en waterverbruikgegevens van appellante opgevraagd. Uit telefonisch ingewonnen informatie bij NUON is naar voren gekomen dat de woning van appellante in de periode van 6 februari 2008 tot 16 september 2009 van gas en elektriciteit was afgesloten. Voorts heeft de Dienst appellante op 11 november 2009 gesproken over haar woon- en leefsituatie. Aansluitend aan dat gesprek heeft de Dienst een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 november 2009.
1.3. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 11 december 2009 de bijstand van appellante met ingang van die datum beëindigd en ingetrokken over de periode van 1 september 2008 tot 11 december 2009. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand van appellante niet is vast te stellen, omdat appellante tijdens het rechtmatigheidsonderzoek niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het college heeft meegewogen dat appellante zelf heeft verklaard dat zij in de periode 1 september 2008 tot en met 11 november 2009 niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad.
1.4. Bij besluit van 2 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 december 2009 gegrond verklaard voor zover het de beëindiging van de bijstand per die datum betreft, dat besluit in zoverre herroepen en de intrekking van de bijstand over de periode van 1 september 2008 tot 11 november 2009 gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat geen redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek en dat evenmin sprake was van “informed consent” omdat de toestemming is afgedwongen onder dreiging van sancties. Appellante acht het voorts niet juist dat de bijstand volledig is ingetrokken. Zij benadrukt dat sprake was van bijzondere omstandigheden en dat zij geen financieel voordeel heeft genoten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Voor het wettelijk kader volstaat een verwijzing naar de aangevallen uitspraak.
4.2. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.
4.3. In dit geval bestond, anders dan appellante stelt, wel een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek op 11 november 2009 op het uitkeringsadres. Daarbij is van belang de - door appellante bevestigde - informatie van NUON dat de woning van appellante in de periode van 6 februari 2008 tot 16 september 2009 van gas en elektriciteit was afgesloten en de verklaring die appellante op 11 november 2009 heeft afgelegd. Die verklaring hield onder meer in dat appellante vanaf september 2008 afwisselend bij haar vader en bij [D.] verbleef en dat zij ten tijde van het gesprek al twee maanden stroom en gas had op het uitkeringsadres, maar nog geen één nacht op dat adres had geslapen en daar die avond voor het eerst zou gaan slapen. De feitelijke woon- en leefsituatie van appellante kon niet op een andere effectieve en voor haar minder belastende wijze worden geverifieerd.
4.4. De beroepsgrond dat appellante de toestemming voor het huisbezoek niet vrijwillig en op basis van “informed consent” heeft verleend, slaagt niet. Onder de gedingstukken bevindt zich een door appellante op 11 november 2009 voor akkoord ondertekende ‘verklaring toestemming huisbezoek’ waaruit blijkt dat de medewerkers van de Dienst zich hebben gelegitimeerd en aan appellante hebben meegedeeld wat de reden en het doel van het huisbezoek is en dat het niet verlenen van toestemming consequenties heeft voor haar bijstandsuitkering. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toestemming voor het huisbezoek onder ontoelaatbare druk of dreiging van sancties tot stand is gekomen.
4.5. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante gedurende de gehele hier door de bestuursrechter te beoordelen periode, die loopt van 1 september 2008 tot 11 november 2009, niet haar hoofdverblijf heeft gehad in de woning op het uitkeringsadres. Van belang daarbij is dat de woning van appellante van 6 februari 2008 tot 16 september 2009 van gas en elektriciteit was afgesloten en de in 4.3 bedoelde verklaring van appellante. Voorts hebben de medewerkers van de Dienst bij het huisbezoek op 11 november 2009 geconstateerd dat het in de woning net zo koud was als buiten, namelijk 9 graden Celsius. Door niet aan het college te melden dat haar woonsituatie niet overeenkomt met de opgave op de controleformulieren, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand over de periode van 1 september 2008 tot 11 november 2009 niet worden vastgesteld. Reeds om die reden slaagt de beroepsgrond dat appellante geen financieel voordeel heeft genoten niet.
4.6. Gelet op 4.5 was het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de bijstand van appellante over die periode in te trekken. Het college hanteert ter zake van de intrekking de beleidsregel dat van herziening en intrekking van bijstand wordt afgezien, indien een schending van een beginsel van behoorlijk bestuur hiertoe aanleiding geeft. Daarbij gaat het blijkens de toelichting om duidelijk aan de gemeente te wijten tekortkomingen, waarbij de belanghebbende geen enkel verwijt treft. In dit geval is van die situatie geen sprake, aangezien appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit betekent dat het college heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde beleidsregel. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, vormt geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van deze beleidsregel had moeten afwijken.
4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2013.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) M. Sahin
HD