ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot bijstand met terugwerkende kracht wegens onvoldoende bewijs geldlening
Appellante verzocht om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 10 september 2009 nadat zij een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht had gekregen. Het college had haar aanvankelijk geweigerd bijstand te verlenen vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning. Na bezwaar bleef het besluit gehandhaafd. Appellante stelde dat derden, te weten een vriendin en haar broer, haar in de periode van september 2009 tot juni 2010 hadden ondersteund met leningen die zij zou terugbetalen.
De Raad beoordeelde dat het verzoek om terug te komen op het eerdere besluit gebaseerd moest zijn op nieuw gebleken feiten. De verlening van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht was een nieuw feit, maar appellante moest ook aannemelijk maken dat zij gedurende de periode in kwestie niet in haar levensonderhoud kon voorzien en dat derden feitelijk in die kosten hadden voorzien met een concrete terugbetalingsverplichting.
Ondanks verklaringen van de vriendin en broer en handgeschreven aantekeningen, vond de Raad dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd van de omvang en aard van de leningen en de terugbetalingsverplichting. De verklaringen waren pas lang na de periode opgesteld en boden geen inzicht in de exacte bedragen of terugbetalingsafspraken. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van geldleningen met terugbetalingsverplichting.