ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken bezwaar tegen beëindiging deeltijd-WW
Appellanten, werknemers van een werkgever die deeltijd-WW toepaste, kregen per besluiten van 13 en 20 september 2010 te horen dat hun deeltijd-WW werd beëindigd met ingang van 16 augustus 2010. Werkgever maakte namens hen bezwaar, maar dit was niet schriftelijk vastgelegd en er was geen bewijs dat zij gemachtigd was om dit te doen.
Het UWV verklaarde het bezwaar van de werkgever niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbende was bij de besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten eveneens niet-ontvankelijk omdat zij zelf geen bezwaar hadden ingediend en hen dat verweten kon worden.
In hoger beroep stelden appellanten dat de werkgever namens hen bezwaar had gemaakt, maar de Raad oordeelde dat het bezwaar beperkt was tot de werkgever zelf. Het UWV hoefde niet te onderzoeken of appellanten ook bezwaar hadden gemaakt. Er was geen reden om aan te nemen dat appellanten niet konden worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een eigen bezwaar tegen de beëindiging van de deeltijd-WW.