ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid UWV tot vordering vergoeding deeltijd-WW niet aangetoond
Het geschil betreft een vordering van het UWV aan werkgever tot betaling van een vergoeding wegens beëindiging van een dienstverband tijdens de periode van deeltijd-WW. Het UWV had een vergoeding gevorderd over de periode van 2 november 2009 tot en met 31 januari 2010, omdat het dienstverband met de werknemer tijdens de werktijdverkorting zou zijn beëindigd.
De rechtbank had het beroep van werkgever gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd, omdat de werktijdverkorting wel was verlengd en artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit deeltijd WW niet van toepassing was. Het UWV stelde in hoger beroep dat er geen verlenging van dertien weken had plaatsgevonden omdat het dienstverband per 1 maart 2010 was geëindigd, en dat daarom een vergoeding verschuldigd was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit een vergoeding alleen verschuldigd is indien het dienstverband eindigt binnen een periode van dertien weken werktijdverkorting. Omdat de dienstbetrekking in de periode van 2 november 2009 tot en met 31 januari 2010 niet is geëindigd en de werktijdverkorting daarna wel is verlengd, is het UWV niet bevoegd de vergoeding te vorderen.
De Raad wijst ook op een latere wetswijziging die de tekst van het Besluit verduidelijkt, maar deze is niet van toepassing op de situatie van werkgever. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van werkgever.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV niet bevoegd was tot het vorderen van de vergoeding over de periode van deeltijd-WW.