ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3591

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-248 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant was van 1 december 2007 tot 21 november 2008 werkzaam als autoruithersteller. Het UWV kende hem op 22 januari 2009 een WW-uitkering toe met een dagloon gebaseerd op een werkweek van 10 uur. In januari 2010 verzocht appellant om herziening van het dagloon naar 40 uur per week. Het UWV weigerde dit op 16 februari 2011 en verklaarde het bezwaar ongegrond op 24 mei 2011, stellende dat het eerdere besluit in rechte vaststond en geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.

De rechtbank Groningen verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond en oordeelde dat het verzoek terecht werd beoordeeld als een verzoek op grond van artikel 4:6 Awb Pro, aangezien het geen uitkering op voorschotbasis betrof. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het besluit wel een voorschot betrof en dat de ingebrachte salarisgegevens nieuwe omstandigheden vormden.

De Raad oordeelde dat het besluit van 22 januari 2009 een definitieve toekenning van de WW-uitkering betrof en geen voorschot, ondanks correspondentie waarin over voorschotten werd gesproken. Het verzoek om herziening moest worden beoordeeld volgens artikel 4:6 Awb Pro, waarbij nieuwe feiten of omstandigheden noodzakelijk zijn. De door appellant ingebrachte salarisgegevens waren al bekend ten tijde van het oorspronkelijke besluit en het later vinden van deze gegevens was voor zijn risico.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering tot herziening van het WW-dagloon wordt bevestigd.

Uitspraak

12/248 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 november 2011, 11/680 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is met ingang van 1 december 2007 als autoruithersteller in dienst gekomen van [naam B.V.]. Dit dienstverband is per 21 november 2008 beëindigd.
1.2. Bij besluit van 22 januari 2009 heeft het Uwv (voor zover hier van belang) aan appellant met ingang van 24 november 2008 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Het dagloon is daarbij bepaald op € 30,47, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 10.
1.3. In januari 2010 heeft appellant zich tot het Uwv gewend met het verzoek om herziening van zijn WW-uitkering. Hij zou kunnen aantonen dat hij 40 uur per week heeft gewerkt. Bij besluit van 16 februari 2011 heeft het Uwv geweigerd het WW-dagloon te herzien. Het tegen dat besluit gerichte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 24 mei 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van 22 januari 2009 in rechte vaststaat en dat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden. Daarom is er geen reden de WW-uitkering te herzien.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het verzoek om herziening terecht als een verzoek op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt, omdat, anders dan appellant meent, er geen sprake is geweest van een uitkering op voorschotbasis. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door appellant ingebrachte salarisgegevens geen nieuwe feiten of omstandigheden opleveren, zodat het Uwv bevoegd was om het verzoek om terug te komen op het eerdere besluit af te wijzen.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat ten onrechte het bepaalde in artikel 4:6 Awb Pro van toepassing wordt geacht. In het bijzonder verzet appellant zich tegen de overweging van de rechtbank dat correspondentie van het Uwv waarin wordt gesproken over voorschotten, niet het karakter van het besluit van 22 januari 2009 wijzigt. Verder stelt appellant dat het inbrengen van salarisgegevens moet worden gezien als een nieuwe omstandigheid nu de mogelijkheid hiertoe hem telefonisch was voorgehouden.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat met het besluit van 22 januari 2009 een WW-uitkering is toegekend. Het besluit is de reactie op de aanvraag van appellant om uitkering. Het besluit bevat duidelijk en zonder voorbehoud de aanspraken ingevolge de WW waarop appellant recht heeft, inclusief de vermelding van de bezwaarmogelijkheid. Het besluit bevat geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van appellant dat er sprake is van de toekenning van een voorschot. Dat in enkele andere schriftelijke stukken van het Uwv over het verstrekken van voorschotten wordt gesproken doet daaraan niet af.
4.2. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat het verzoek van appellant om herziening terecht is beoordeeld op de voet van artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.3. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
4.4. Appellant heeft gewezen op salarisgegevens van mei en augustus 2008 waaruit zou moeten blijken dat het Uwv een fout dagloon heeft vastgesteld. Volgens hem is het alsnog overleggen van die gegevens een nieuwe omstandigheid. Evenals de rechtbank acht de Raad dit standpunt niet houdbaar, aangezien deze gegevens immers reeds aanwezig waren ten tijde van het eerdere besluit van 22 januari 2009. Dat die gegevens waren zoekgeraakt - appellant heeft gemeld dat hij ze later in zijn schuur vond - blijft voor zijn rekening en risico.
4.5 Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J. Govaers en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) K.E. Haan
NW