ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant was van 1 december 2007 tot 21 november 2008 werkzaam als autoruithersteller. Het UWV kende hem op 22 januari 2009 een WW-uitkering toe met een dagloon gebaseerd op een werkweek van 10 uur. In januari 2010 verzocht appellant om herziening van het dagloon naar 40 uur per week. Het UWV weigerde dit op 16 februari 2011 en verklaarde het bezwaar ongegrond op 24 mei 2011, stellende dat het eerdere besluit in rechte vaststond en geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank Groningen verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond en oordeelde dat het verzoek terecht werd beoordeeld als een verzoek op grond van artikel 4:6 Awb Pro, aangezien het geen uitkering op voorschotbasis betrof. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het besluit wel een voorschot betrof en dat de ingebrachte salarisgegevens nieuwe omstandigheden vormden.
De Raad oordeelde dat het besluit van 22 januari 2009 een definitieve toekenning van de WW-uitkering betrof en geen voorschot, ondanks correspondentie waarin over voorschotten werd gesproken. Het verzoek om herziening moest worden beoordeeld volgens artikel 4:6 Awb Pro, waarbij nieuwe feiten of omstandigheden noodzakelijk zijn. De door appellant ingebrachte salarisgegevens waren al bekend ten tijde van het oorspronkelijke besluit en het later vinden van deze gegevens was voor zijn risico.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering tot herziening van het WW-dagloon wordt bevestigd.