ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3672

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-4473 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat UWV volledige medewerking aan derdenbeslag moet verlenen zonder beslag te toetsen

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarbij een deel van zijn WIA-uitkering werd ingehouden ter uitvoering van een derdenbeslag gelegd door een deurwaarder. Hij stelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door zonder onderzoek naar de grondslagen en geldigheid van het beslag zijn medewerking te verlenen en hem onvoldoende te informeren over de beslaglegging.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwees naar vaste rechtspraak van de Raad dat een derdebeslagene, zoals het UWV, gehouden is volledige medewerking te verlenen aan het beslag zonder de geldigheid of omvang ervan te beoordelen. De bestuursrechter toetst slechts of het bestuursorgaan binnen het kader van het beslag is gebleven bij het nemen van de betalingsbeslissing.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar kon hij geen concrete feiten aandragen waaruit bleek dat het UWV buiten het beslagkader was getreden. De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV niet bevoegd is de juistheid of omvang van het beslag te toetsen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

11/4473 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van 7 juli 2011, 10/5374 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Soebhag. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat deurwaarder M.G. de Jong beslag heeft gelegd op zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en dat ter uitvoering van dat beslag een gedeelte van appellants uitkering zal worden ingehouden en afgedragen aan de deurwaarder. Met ingang van 1 augustus 2010 zal appellant in verband hiermee nog een bedrag van € 748,94 per maand ontvangen. Ook het vakantiegeld zal worden ingehouden.
1.2. Bij besluit van 30 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 20 juli 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat het Uwv onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld, door zonder meer zijn medewerking te verlenen aan het derdenbeslag. In dit verband heeft appellant gesteld dat hij niet wist wat de grondslag voor de beslaglegging was. Hij was niet bekend met de vonnissen waarop het beslag
gebaseerd was. Het Uwv had die grondslagen en geldigheid van het beslag dienen te
controleren en had appellant ter zake moeten informeren.
3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van
21 december 2010, LJN BO9009), heeft de rechtbank overwogen dat een beslagdebiteur
(in dit geval appellant) bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan voorleggen aan de civiele rechter en is de
derdebeslagene (in dit geval het Uwv) gehouden volledige medewerking te verlenen aan het beslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen.
3.2. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen. Zijn
toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Gesteld noch gebleken is volgens de rechtbank dat het Uwv niet binnen genoemd kader is gebleven.
3.3. Nog daargelaten dat het naar het oordeel van de rechtbank in de rede zou liggen dat
appellant zich tot de deurwaarder zou hebben gewend voor informatie omtrent de
beslaglegging en de achtergrond daarvan, volgt uit het overwogene dat noch de
overeenstemming tussen de vonnissen (van de civiele rechter) noch een eventuele verjaring ter beoordeling van het Uwv stond.
4. In hoger beroep heeft appellant, samengevat weergegeven, zijn opvatting gehandhaafd dat het Uwv niet zonder onderzoek naar de grondslagen en de geldigheid van het beslag zijn
medewerking daaraan had mogen verlenen.
5. De Raad verenigt zich volledig met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten
grondslag gelegde overwegingen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de
opvatting van appellant zich niet verdraagt met het in vaste rechtspraak van de Raad
neergelegde oordeel dat een bestuursorgaan gehouden is zijn volledige medewerking te
verlenen aan een gelegd derdenbeslag. Anders dan appellant in hoger beroep met nadruk heeft staande gehouden, stond het daarom het Uwv niet vrij de omvang en de juistheid van het
beslag te beoordelen. Nu appellant in hoger beroep weliswaar heeft gesteld, maar niet aan de hand van enig concreet gegeven aannemelijk heeft gemaakt, dat het Uwv niet binnen het
kader van het gelegde beslag is gebleven, moet worden geconcludeerd dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als
griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker
TM