ECLI:NL:CRVB:2016:1964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid beslag op AOW-uitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant, woonachtig in België, ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 22 mei 2013 werd door een gerechtsdeurwaarder een executoriaal beslag gelegd op zijn AOW-uitkering, met een beslagvrije voet van € 0,-. De Sociale verzekeringsbank (Svb) paste daarop het uit te betalen pensioen aan en betaalde vanaf mei 2014 een netto bedrag van € 23,76 uit.
Appellant maakte bezwaar tegen deze betalingsbeslissing en verzocht in hoger beroep om verlaging van het beslagbedrag, zodat hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het niet aan de Svb is om de geldigheid van het beslag te toetsen; dat is een taak voor de civiele rechter.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de bestuursrechter zich bij de toetsing moet beperken tot de vraag of het bestuursorgaan binnen het kader van het beslag is gebleven. Tevens wees de Raad erop dat voor in het buitenland wonende personen in beginsel geen beslagvrije voet geldt, maar dat appellant via de kantonrechter een beslagvrije voet kan aanvragen indien hij kan aantonen onvoldoende middelen van bestaan te hebben. Appellant had een dergelijk verzoek nog niet ingediend. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de betalingsbeslissing van de Svb wordt bevestigd.