ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4080
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks rugklachten en beperkingen
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, ontving sinds 2002 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na toename van haar klachten in 2010, waaronder rugpijn, werd haar uitkering verlaagd op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek. Het UWV verlaagde haar uitkering met ingang van september 2010, wat door appellante werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het UWV het bezwaarrapport van de bezwaarverzekeringsarts terecht had betrokken en dat er geen medische onderbouwing was voor verdere beperkingen dan reeds erkend. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar rug- en schouderklachten onvoldoende waren meegenomen, waardoor de verlaging onterecht was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische rapportages, inclusief die van de bezwaarverzekeringsarts, de beperkingen adequaat weerspiegelen. Schouderklachten waren niet objectief vastgesteld en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) hield rekening met schouderbeperkingen. De arbeidskundige onderbouwing was deugdelijk en de geselecteerde functies passend. Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.