10/4007 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2010, 08/334 (aangevallen uitspraak)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
Datum uitspraak 15 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. H. Zengin, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluis. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen.
Na afloop van de zitting is het onderzoek heropend omdat het niet volledig is geweest.
De door de Raad als deskundige benoemde psychiater prof. dr. G.F. Koerselman heeft op
21 juni 2012 gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden.
Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening buiten zitting, waarna het onderzoek is gesloten.
1.1. Aan betrokkene is in 1990 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft psychiater dr. D.J. Vinkers een expertise verricht. In het daarvan aan het Uwv uitgebrachte verslag van 15 februari 2007 stelde Vinkers dat de huidige klachten van betrokkene passen bij een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en dysthymie. Een psychotische stoornis kon door Vinkers niet worden vastgesteld. De verzekeringsarts heeft ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 maart 2007. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding een verlies van verdienvermogen van 49,5% vastgesteld. Bij besluit van 22 juni 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 augustus 2007 herzien naar 45 tot 55%.
1.3. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts een nieuwe FML opgesteld op 24 oktober 2007. Gezien de bevindingen van Vinkers achtte de bezwaarverzekeringsarts een beperking op klanten- en patiëntencontact gewenst. De bezwaarverzekeringsarts achtte betrokkene aangewezen op goed gestructureerd werk met min of meer vaste werkwijzen en daarbij geen emotioneel belastend werk. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in bezwaar het maatmanloon gecorrigeerd omdat de werkgeversbijdragen in de premie pensioenverzekering, pré-pensioenverzekering en VUT-verzekering ten onrechte waren meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij gewijzigde functieduiding vastgesteld dat het loonverlies 44,6% was. Dit resulteert in een indeling in een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
1.4. Bij besluit van 11 december 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2007 gegrond verklaard, bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op en na 23 augustus 2007 onveranderd 80 tot 100% blijft en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 16 januari 2008 op 35 tot 45% vastgesteld.
2.1. De rechtbank heeft psychiater drs. B.H.M.J. Sonnenschein als deskundige geraadpleegd. Sonnenschein heeft betrokkene onderzocht op 25 augustus 2009. In zijn rapport van 17 oktober 2009 heeft deze deskundige aangegeven dat de anamnese ernstig belemmerd werd door betrokkene. Betrokkene kon weinig zeggen op de vragen die de deskundige stelde. Hij kon zich nauwelijks iets herinneren en leek een verlaagd bewustzijn te hebben. De anamnese was dan ook onvolledig. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellant op de in geding zijnde datum 16 januari 2006 beperkingen had als gevolg van een depressieve stoornis variërend van dysthymie tot ernstige depressieve stoornis. Verder stelde de deskundige een persoonlijkheidsstoornis NAO vast met schizotypische kenmerken en door de persoonlijkheidsstoornis een lage frustratietolerantie en acting out gedrag. De deskundige kon niet instemmen met de vastgestelde belastbaarheid van appellant op 16 januari 2006 en achtte betrokkene niet in staat om 40 uur per week te werken, in verband met wisselend depressieve stoornis en verminderde energie door weerstand tegen druk op zijn leven.
2.2. In een rapport van 18 november 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat de expertise van deskundige Sonnenschein niet voldoet aan de criteria die gesteld zijn door de richtlijncommissie psychiatrische rapportage van de commissie kwaliteitszorg van de Nederlandse vereniging voor psychiatrie. De deskundige heeft geen eigen psychiatrisch onderzoek verricht, nauwelijks een eigen diagnose gesteld en er zijn tal van onduidelijkheden in de rapportage. De bezwaarverzekeringsarts achtte het noodzakelijk om betrokkene ter observatie op te laten nemen bij psychiater Koerselman teneinde duidelijkheid te krijgen over de invloed van de medicatie Pipamperon op het gedrag van betrokkene.
2.3. Deskundige Sonnenschein heeft in zijn reactie van 10 december 2009 vermeld dat betrokkene tijdens het onderzoek in verlaagde staat van bewustzijn aanwezig is geweest en daarbij zodanig weerstandgedrag vertoonde als hulpeloosheid en weinig kunnen zeggen, dat een gedegen onderzoek niet mogelijk is geweest. De deskundige hechtte meer waarde aan de informatie van behandelend psychiater S. Bissessur en psycholoog M.R. Nauta dan aan het oordeel van de verzekeringsgeneeskundigen. Verder heeft de deskundige bevestigd dat een psychiatrische opname mogelijk meer duidelijkheid zou kunnen geven over de psychiatrische toestand van betrokkene. De deskundige heeft een tweede versie van zijn rapportage overgelegd, eveneens gedateerd 17 oktober 2009. In deze versie zijn een aantal gegevens gewijzigd. De in geding zijnde datum is gewijzigd van 16 januari 2006 in 16 januari 2008 en als diagnose is vermeld een depressieve stoornis gesuperponeerd variërend op dystyme stoornis, ernstig, zonder psychotische verschijnselen, wel snel agressie en een zwakke persoonlijkheid, persoonlijkheidsstoornis NAO met schizotypische kenmerken.
2.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door betrokkene tegen het besluit van 11 december 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en beslissingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft - kort samengevat - de deskundige gevolgd in zijn oordeel. De rechtbank overwoog dat de conclusie van de deskundige in de lijn lag met de bevindingen van de behandelend psychiater en dat deze niet behoefde te motiveren waarom zijn diagnose afweek van de diagnose van psychiater Vinkers. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag en komt het voor vernietiging in aanmerking.
3.1. In hoger beroep heeft het Uwv aangevoerd dat de professionele kwaliteit ontbreekt in rapportage van deskundige Sonnenschein. Het Uwv heeft verwezen naar de reacties van de bezwaarverzekeringsarts van 18 november 2009 en 2 februari 2010 op het rapport van deskundige Sonnenschein en naar de rapportage van 4 augustus 2010.
3.2. Betrokkene ziet geen aanleiding om de door de rechtbank ingeschakelde deskundige niet
te volgen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Beoordeeld dient te worden de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 16 januari 2008.
4.2. De Raad heeft het naar aanleiding van het hoger beroep aangewezen geacht zich over de gezondheidstoestand van betrokkene en zijn arbeidsbeperkingen nader te laten voorlichten door de in rubriek Procesverloop genoemde deskundige Koerselman.
4.3. In zijn rapport van 21 juni 2012 heeft deskundige Koerselman geconcludeerd dat er bij betrokkene op 16 januari 2008 sprake was van een dysthyme stoornis. Koerselman heeft bij zijn onderzoek van 20 juni 2012 vastgesteld dat betrokkene doet alsof hij eenvoudige vragen niet kan begrijpen, terwijl dat evident niet het geval is. De door betrokkene vertoonde reacties passen bij geen enkel bekend psychiatrisch ziektebeeld. Koerselman heeft geconstateerd dat behandelend psychiater Bissessur geen duidelijke diagnose heeft gesteld volgens de criteria van de DSM-IV. Voorts is in de rapportage van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Sonnenschein nergens terug te vinden dat deze deskundige heeft geprobeerd zich een beeld te vormen van betrokkenes toestand op 16 januari 2008. Koerselman heeft gewezen op de discrepantie tussen de eerste en de tweede versie van de rapportage van Sonnenschein. Zonder nadere onderbouwing heeft Sonnenschein in de tweede versie van de rapportage de diagnose gewijzigd. Koerselman heeft nader onderzoek door een deskundige op ander gebied niet noodzakelijk geacht. Ook klinische observatie heeft geen meerwaarde.
4.4. Koerselman heeft de beschikking gehad over alle in geding zijnde medische gegevens, heeft op zorgvuldige wijze een onderzoek ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag gedaan. Koerselman heeft uitvoerig gemotiveerd waarom hij zich kan verenigen met de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van betrokkene, zoals blijkt uit de FML van 24 oktober 2007.
4.5. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gevonden om met betrekking tot het oordeel van de deskundige af te wijken van het uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De reactie van betrokkene geeft daartoe evenmin aanleiding.
4.6. De medische grondslag van het bestreden besluit moet dan ook worden onderschreven.
4.7. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit zijn er geen redenen om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend te achten. In het arbeidskundig rapport van 6 november 2007 is dit afdoende gemotiveerd.
4.8. In het bestreden besluit is gemotiveerd waarom de werkgeversbijdragen in de premie pensioenverzekering, pre-pensioenverzekering en VUT-verzekering niet in het maatmaninkomen worden meegenomen. Betrokkene heeft zijn standpunt dat dit ten onrechte niet is gebeurd niet nader onderbouwd.
5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd, kan niet in stand blijven en het beroep tegen dit besluit moet ongegrond worden verklaard.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2007 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.C.W. Lange en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2013.