ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor zwaar fysiek werk als grondwerker
Appellant, werkzaam als grondwerker, meldde zich ziek met klachten aan de linkerenkel en ontving een uitkering op grond van de Ziektewet. Na medisch onderzoek door verzekeringsarts Van Straaten op 24 mei 2011 werd geconcludeerd dat appellant geschikt was voor zijn werk en beëindigde het UWV het recht op ziekengeld met ingang van 25 mei 2011. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts De Brouwer.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het kogelfragment in zijn linkerenkel nog steeds problemen gaf en dat de verzekeringsartsen onvoldoende onderzoek hadden gedaan naar de zwaarte van zijn werkzaamheden en de verenigbaarheid daarvan met zijn klachten. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts op de hoogte was van het kogelfragment en geen medische belemmeringen vond die het werk als grondwerker onmogelijk maakten.
De bezwaarverzekeringsarts onderschreef deze conclusie en stelde dat het fragment geen vitale structuren aantast en geen pijnklachten veroorzaakt. De Raad vond dat appellant zijn stellingen onvoldoende medisch had onderbouwd en dat de beschrijving van het werk door de verzekeringsarts overeenkwam met die van appellant. Daarom was het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld terecht. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 25 mei 2011.