ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om kwijtschelding resterende schuld wegens niet-naleving betalingsverplichting
Appellante had een schuld van € 13.052,18 bij het UWV wegens ten onrechte ontvangen uitkeringen. Vanaf 1 mei 2007 begon zij met terugbetalen via een betalingsregeling van € 25,- per maand, terwijl haar volledige aflossingscapaciteit werd vastgesteld op € 49,20 per maand.
Het verzoek tot kwijtschelding van het resterende bedrag van € 11.866,92 werd door het UWV afgewezen omdat appellante niet gedurende drie jaar volledig aan haar betalingsverplichting had voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van het beleid af te wijken.
In hoger beroep stelde appellante dat de schuld buiten haar schuld was ontstaan en dat zij onvoldoende was geïnformeerd over de gevolgen van haar betalingsvoorstel. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om het beleid te wijzigen. Er was geen ondubbelzinnige toezegging van het UWV dat de lagere aflossing tot kwijtschelding zou leiden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Ook werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de resterende schuld wordt afgewezen omdat appellante niet volledig aan haar betalingsverplichting heeft voldaan.