ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4866

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-3874 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 8:75 AwbArt. 33 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om kwijtschelding resterende schuld wegens niet-naleving betalingsverplichting

Appellante had een schuld van € 13.052,18 bij het UWV wegens ten onrechte ontvangen uitkeringen. Vanaf 1 mei 2007 begon zij met terugbetalen via een betalingsregeling van € 25,- per maand, terwijl haar volledige aflossingscapaciteit werd vastgesteld op € 49,20 per maand.

Het verzoek tot kwijtschelding van het resterende bedrag van € 11.866,92 werd door het UWV afgewezen omdat appellante niet gedurende drie jaar volledig aan haar betalingsverplichting had voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van het beleid af te wijken.

In hoger beroep stelde appellante dat de schuld buiten haar schuld was ontstaan en dat zij onvoldoende was geïnformeerd over de gevolgen van haar betalingsvoorstel. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om het beleid te wijzigen. Er was geen ondubbelzinnige toezegging van het UWV dat de lagere aflossing tot kwijtschelding zou leiden.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Ook werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de resterende schuld wordt afgewezen omdat appellante niet volledig aan haar betalingsverplichting heeft voldaan.

Uitspraak

11/3874 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2011, 10/5891 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E. van den Bogaard, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
OVERWEGINGEN
1.1. Vanaf 2006 zijn door het Uwv aan appellante, buiten haar schuld, ten onrechte uitkeringen ingevolge de Ziektewet en de Toeslagenwet uitbetaald tot een totaalbedrag van € 13.052,18. De terugvorderingsbesluiten die betrekking hebben op de onverschuldigde betalingen en de hoogte van de bedragen staan in rechte vast. Vanaf 1 mei 2007 is appellante begonnen met terugbetalen, waarbij met het Uwv een betalingsregeling van € 25,- per maand is afgesproken.
1.2. Bij brief van 6 april 2010 heeft appellante verzocht om kwijtschelding van het resterende schuldbedrag. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat op dat moment nog een bedrag van € 11.866,92 aan schuld openstaat en dat zij niet in aanmerking komt voor kwijtschelding.
1.3. Bij besluit van 27 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 juni 2010 ongegrond verklaard. Voor zover hier van belang is daarbij overwogen dat aan de voorwaarde om voor kwijtschelding in aanmerking te komen niet wordt voldaan, omdat appellante vanaf 1 mei 2007, met enige onderbrekingen,
€ 25,- per maand afloste, hetgeen minder is dan de volledige afloscapaciteit die op haar van toepassing is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheden dat de vordering door toedoen van een medewerker van het Uwv is ontstaan, als gevolg waarvan appellante niet alleen een schuld aan het Uwv, maar ook een schuld aan de Belastingdienst heeft gekregen, waardoor voor haar betalingsproblemen zijn ontstaan, geen bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om van de Beleidsregel terug- en invordering (Besluit van het Lisv van 31 maart 1999, Stcrt. 1999, 75) (de Beleidsregel) af te wijken. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat appellante zich niet heeft gerealiseerd dat zij met een aflossingsbedrag van € 25,- per maand niet in aanmerking zou komen voor kwijtschelding. Het door het Uwv gevoerde beleid was kenbaar voor appellante. Zij kon er redelijkerwijs van op de hoogte zijn dat haar volledige aflossingscapaciteit hoger was dan € 25,- per maand.
3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb omdat de schuld buiten haar schuld is ontstaan en zij al meer dan vier jaar moet instaan voor de gevolgen van het onjuist handelen van het Uwv. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat zij beter geïnformeerd had moeten worden over de gevolgen van haar voorstel om € 25,- per maand af te lossen. Het Uwv heeft nooit aan appellante inzichtelijk gemaakt dat zij hierdoor niet aan het vereiste van de volledige aflossingscapaciteit zou kunnen voldoen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 33, tweede en derde lid, van de Ziektewet - voor zover hier van belang - kan het Uwv besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
4.2. Ter zake van deze bevoegdheid voert het Uwv een beleid overeenkomstig de vermelde Beleidsregel. Ingevolge het bepaalde onder 4.1.1 van de bijlage behorend bij de Beleidsregel voor zover hier van belang - wordt bij vorderingen die niet het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht beoordeeld of van verdere terugvordering wordt afgezien, nadat de schuldenaar drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en het termijnbedrag gedurende deze periode was gebaseerd op de volledige aflossingscapaciteit. De Raad heeft dit beleid reeds vaker aangemerkt als te blijven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling (onder meer in zijn uitspraak van 31 oktober 2008, LJN BG4533).
4.3. Met betrekking tot beantwoording van de vraag of het Uwv met toepassing van dat beleid terecht heeft geweigerd de nog openstaande schuld van appellante kwijt te schelden, onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Hij ziet geen reden tot twijfel aan de constatering van het Uwv dat appellante gedurende drie jaar niet aan haar maximale betalingsverplichting heeft voldaan. Dat appellante met het Uwv een betalingsregeling heeft getroffen, waarbij zij vanaf 1 mei 2007 een bedrag van € 25,- per maand afloste, geeft de juiste gang van zaken weer en wordt door appellante niet betwist. Uit de voorhanden gegevens blijkt dat vanaf 1 juli 2010 de aflossingscapaciteit is vastgesteld op een bedrag van € 49,20. In hetgeen appellante aanvullend in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanwijzingen om ervan uit te gaan dat de situatie van appellante in juli 2010 verschilde van de eerdere situatie waarbij met ingang van 1 mei 2007 een betalingsregeling is getroffen voor een maandelijkse aflossing van € 25,-. Daarmee staat vast dat het laatstgenoemde bedrag onder de voor appellante vastgestelde volledige aflossingscapaciteit ligt. In de door appellante genoemde omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding om hier een zodanig bijzonder geval aanwezig te achten, dat geoordeeld zou moeten worden dat het Uwv in redelijkheid niet de Beleidsregel heeft kunnen toepassen en met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb van de Beleidsregel zou moeten afwijken. Nu deze gepubliceerde Beleidsregel voor appellante kenbaar had kunnen zijn, volgt de Raad appellante niet in haar standpunt dat het Uwv tekort is geschoten in het verstrekken van informatie aan appellante over de gevolgen van het niet volledig voldoen aan de afloscapaciteit. Zij kan zich evenmin beroepen op een gerechtvaardigd gewekt vertrouwen nu geen sprake is van een ondubbelzinnige schriftelijke toezegging van het Uwv dat de maandelijkse aflossing van € 25,- na verloop van drie jaar tot kwijtschelding van de nog openstaande schuld zou kunnen leiden. Het bestreden besluit kan dan ook in rechte stand houden.
4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) D. Heeremans
JvC