ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijke kasstortingen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens kasstortingen op rekeningen van appellant waarvan de herkomst onduidelijk was. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de eerste onduidelijke storting later was dan het college had aangenomen, maar oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden.
In hoger beroep betwist appellant de uitspraak, onder meer door te stellen dat het geld eigen spaargeld was dat hij op een specifieke wijze beheerde vanwege zijn psychische gesteldheid. De Raad oordeelt echter dat appellant dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt en bevestigt het oordeel over de schending van de inlichtingenplicht.
Het college had bij een nieuw besluit de terugvordering aangepast, maar ging onjuist uit van een eerdere stortingsdatum en een fout in de registratie van stortingen. De Raad vernietigt dit besluit en stelt zelf het terugvorderingsbedrag vast op € 4.328,25 netto. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten en vergoedt het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen, het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 4.328,25 netto en het college veroordeeld in proceskosten.