ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving vanaf 1996 bijstand op grond van de WWB. Na een onderzoek van de sociale recherche, naar aanleiding van een vermoeden van verborgen inkomsten uit werkzaamheden als automonteur, trok het college de bijstand in en vorderde de kosten terug over een periode van ruim dertien jaar.
Appellant erkende het niet correct nakomen van de inlichtingenverplichting, maar stelde dat het college toch het recht op bijstand had kunnen vaststellen, onder meer door rekening te houden met een beperkt inkomen en een vermogen van fl. 15.000,-- bij aanvang van de bijstand. Hij betwistte substantiële inkomsten uit arbeid.
De Raad oordeelde dat appellant geen concrete en verifieerbare gegevens had geleverd om zijn financiële situatie aannemelijk te maken. De verklaringen van de voormalige vriendin en het ontbreken van een administratie maakten dat het college niet schattenderwijs het recht op bijstand kon vaststellen. Hierdoor was het college terecht bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.