ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5759

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-2305 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25, negende lid, Wet WIAArt. 65 Wet WIAArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in tweede spoor

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, heeft een loonsanctie opgelegd aan betrokkene wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor voor een werknemer die sinds maart 2009 ziek was. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door appellant werd afgewezen. De rechtbank Middelburg vernietigde het besluit echter wegens onzorgvuldige voorbereiding.

In hoger beroep stelt appellant dat betrokkene vanaf medio juli 2009 onvoldoende heeft onderbouwd waarom er geen benutbare mogelijkheden waren voor re-integratie en dat het tweede spoor te laat is opgestart. Betrokkene voerde aan dat zij de behandelingen en herstelperioden van de werknemer moest afwachten en voldoende informatie had verstrekt.

De Raad oordeelt dat uit de medische en arbeidsdeskundige rapportages blijkt dat werknemer vanaf medio juli 2009 wel belastbaar was en dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het feit dat betrokkene handelde op advies van de bedrijfsarts doet hieraan niet af. De verantwoordelijkheid voor re-integratie ligt bij betrokkene. De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft van kracht wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor.

Uitspraak

12/2305 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van
15 maart 2012, 11/827 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[Naam V.o.f.] te [vestigingsplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 27 maart 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 10 maart 2011 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werknemer] (werknemer) jegens betrokkene als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd tot 22 januari 2012. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd op de grond dat door betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van Pro die wet.
1.2. Betrokkene heeft tegen het besluit van 10 maart 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff van 16 juni 2011 en van bezwaararbeidsdeskundige H. Claessen van 10 augustus 2011, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat werknemer vanaf medio juli 2009 belastbaar was niet is gebaseerd op de nodige kennis en de relevante feiten aangaande de medische situatie van werknemer in de periode tussen 10 april 2009 en 14 januari 2010. In het verlengde daarvan is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van appellant dat het tweede spoor vanaf medio juli 2009 gevolgd had moeten worden op onvoldoende grondslag berust. Het bestreden besluit wordt daarom wegens onzorgvuldige voorbereiding vernietigd.
3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat betrokkene in de periode vanaf medio juli 2009 (het tijdstip dat een belastbaarheid aangenomen mag worden gelet op de vaatoperatie die werknemer heeft ondergaan) tot november 2010 niet heeft onderbouwd waarom er sprake zou zijn van een toestand van geen benutbare mogelijkheden. Appellant toetst alleen aan de hand van rapportages van betrokkene of een juiste waardering aan de belastbaarheid van werknemer is toegekend en of werknemer met deze belastbaarheid in voldoende mate gere-integreerd is. Hierin is betrokkene tekort geschoten. Voorts is niet aannemelijk gemaakt waarom er bij de eerstejaars evaluatie in maart 2010 geen mogelijkheden waren om inspanningen tot re-integratie (mede) in het tweede spoor te laten plaatsvinden.
3.2. Namens betrokkene is in een reactie aangegeven dat zij aan appellant voldoende informatie heeft verstrekt over de contactmomenten met de werknemer en de behandelingen (operaties) die kort op elkaar volgden. Als werkgeefster heeft zij in de periode, waarin haar het verwijt wordt gemaakt dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben ondernomen, niets anders kunnen doen dan de behandelingen en herstelperioden van de werknemer af te wachten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of appellant terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte tot 22 januari 2012 heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
4.2. Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 17 februari 2011 en van de arbeidsdeskundige van 8 maart 2011 en in de bezwaarfase op rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 16 juni 2011 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 augustus 2011. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat werknemer zeker enkele weken na zijn in mei 2009 verrichte vaatoperatie, dus vanaf juli 2009, belastbaar is geweest in het tweede spoor. Pas in oktober 2010 geeft de door betrokkene ingeschakelde arbeidsdeskundige aan dat er op basis van de gegeven beperkingen nog mogelijkheden in het tweede spoor zijn. De bedrijfsarts heeft ten onrechte gesteld dat er geen benutbare mogelijkheden zijn, waardoor er vanaf medio juli 2009 re-integratiekansen zijn gemist. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat het tweede spoor veel te laat in gang is gezet en dat betrokkene zich hierbij niet kan beroepen op de visie van de bedrijfsarts. Er is dan ook geen deugdelijke grond aanwezig voor het niet tijdig opstarten van re-integratie-activiteiten in het tweede spoor. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien tot herziening van de medische grondslag waarop het primaire besluit is gebaseerd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage aangegeven dat het tweede spoor te laat is opgestart, waardoor onnodig veel maanden verloren zijn gegaan. Het feit dat betrokkene heeft gehandeld op advies van de bedrijfsarts en de arbodienst doet daaraan niet af. De bezwaararbeidsdeskundige heeft dan ook geen aanleiding gezien om af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.
4.3. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor de het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Na de uitval van werknemer op 3 maart 2009 is gebleken dat de bedrijfsarts in de periode van mei 2009 tot november 2010 wel contact heeft gehad met werknemer, maar daarbij zijn geen rapportages opgesteld met betrekking tot de mogelijke belastbaarheid en is niet onderbouwd waarom er voor werknemer geen benutbare mogelijkheden zijn. Gebleken is dat werknemer in genoemde periode enige malen zijn specialist heeft bezocht. Het had volgens appellant op de weg van de bedrijfsarts gelegen - zonodig - informatie in te winnen bij deze specialist en op geleide van die informatie, eventueel in combinatie met bevindingen uit eigen onderzoek, tot een vaststelling te komen van de belastbaarheid (dan wel het ontbreken daarvan) van de werknemer. Eerst in juli 2010 is een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld, waarna in november 2010 arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Het is de taak van appellant om aan de hand van rapportages van betrokkene vast te stellen of een juiste waardering aan de belastbaarheid van een werknemer is toegekend en of werknemer met deze belastbaarheid in voldoende mate gere-integreerd is. De werkgever kan alleen afzien van re-integratie-inspanningen, indien er geen arbeidsmogelijkheden (meer) zijn voor werknemer. Dit laatste is niet inzichtelijk gemaakt door betrokkene. Uit de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat werknemer vanaf medio juli 2009 wel over benutbare mogelijkheden beschikt. De Raad onderschrijft het hierop gebaseerde standpunt van het Uwv dat betrokkene vanaf medio juli 2009 tot november 2010 onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht. Indien bij de eerstejaarsevaluatie - het zogenoemde “opschudmoment”- blijkt dat de re-integratie in het eigen bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd, dan mag worden verwacht dat werkgever en werknemer - naast de wellicht nog lopende activiteiten voor re-integratie in het eigen bedrijf - tevens voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere werkgever. Op of omstreeks 3 maart 2010, toen werknemer een jaar ziek was, is nog geen tweede spoortraject opgestart. Pas na het onderzoek van de door betrokkene ingeschakelde arbeidsdeskundige in november 2010 is geconcludeerd dat er geen passende re-integratiemogelijkheden binnen het eerste spoor waren en is re-integratie in het tweede spoor op dat moment aangewezen geacht. Vervolgens is op 20 november 2010 een trajectplan opgesteld met betrekking tot de inzet van re-integratie-activiteiten. Gelet op deze gegevens heeft appellant naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat betrokkene zonder deugdelijke grond vanaf medio juli 2009 onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoortraject heeft verricht.
4.4. Met betrekking tot de het standpunt van betrokkene dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK 3713, waarin hij heeft geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij betrokkene is gelegen. In hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.
4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat appellant op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) I.J. Penning
IvR