ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Appellante, een werkgever, kreeg een loonsanctie opgelegd door het Uwv omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor een arbeidsongeschikte werkneemster. De loonsanctie hield in dat de periode van loondoorbetaling bij ziekte met 52 weken werd verlengd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellante zonder deugdelijke grond had nagelaten om via een tweede spoor naar arbeidsalternatieven te zoeken, ondanks het advies van de bedrijfsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. Ook was de eerstejaarsevaluatie pas met aanzienlijke vertraging opgesteld, wat verwijtbaar was.
Appellante voerde aan dat de werkneemster geen benutbare mogelijkheden had en dat een tweede spoor niet nodig was zolang er intern nog passend werk beschikbaar was. De Raad oordeelde echter dat passende arbeid ook in het tweede spoor onderzocht had moeten worden en dat de omstandigheden geen deugdelijke grond boden voor het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af, bevestigde de loonsanctie en zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De loonsanctie wordt bevestigd omdat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder deugdelijke grond.