ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens niet-verzekerd zijn bij intreden arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in Nederland, werkte van 1967 tot 1973 in Nederland en daarna tot 1978 in Duitsland, waar zij ook verzekerd was tot 1983. Zij vroeg in 2008 een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering aan wegens MS, waarbij zij stelde dat de arbeidsongeschiktheid in 1982 was ingetreden. De Duitse instantie weigerde de uitkering omdat zij niet voldoende verzekerd was in de voorgaande jaren.
Het UWV weigerde vervolgens een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat appellante ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid in 1998 niet verzekerd was onder de Nederlandse wetgeving en ook niet voldeed aan de voorwaarden van Verordening 1408/71 voor een pro-rata uitkering. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellante dat zij al vóór 1983 symptomen van MS had, maar de Raad concludeerde dat dit niet aannemelijk was op basis van medische rapportages en dat de arbeidsongeschiktheid pas in 2004 werd vastgesteld. Omdat zij niet arbeidsongeschikt werd tijdens haar verzekeringsperiode in Nederland of Duitsland, heeft zij geen recht op Nederlandse uitkering.
Ook de weigering van een pro-rata uitkering op grond van de EU-verordening is terecht, omdat zij niet verzekerd was in een andere lidstaat ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid en geen uitkering in een andere lidstaat ontvangt. De Raad bevestigde daarom het eerdere oordeel en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante heeft geen recht op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering.