ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toename medische beperkingen
Appellant, een klusjesman, viel in 2004 uit wegens rugklachten en vroeg in 2006 een WIA-uitkering aan. Deze werd geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Na diverse procedures bevestigde de rechtbank en later de Raad dit besluit op basis van medische rapportages, waaronder die van een neuroloog.
In 2009 diende appellant een nieuwe aanvraag in wegens vermeende toename van klachten, die opnieuw werd afgewezen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de functionele beperkingen uit 2006 nog steeds actueel waren, en de arbeidsdeskundige vond geen reden voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische grondslag juist was. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt zonder nieuwe medische informatie te overleggen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat zonder toename van medische beperkingen geen arbeidskundige beoordeling meer nodig is.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af, verwijzend naar de wettelijke regeling in artikel 55 van Pro de Wet WIA en de bestaande jurisprudentie omtrent de Amberregeling uit de WAO.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.