ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen overneming van extra ATV-dagen voor ouderen als vakantiedagen bij faillissement werkgever
Appellant was werkzaam bij een werkgever die failliet ging, waarna hij een WW-uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW aanvroeg wegens onbetaald gelaten loon en vakantiedagen. Het geschil betrof de berekening van het tegoed aan reguliere vakantiedagen, ATV-dagen en extra ATV-dagen voor ouderen (KNV-dagen) zoals geregeld in de cao Goederenvervoer Nederland.
De rechtbank had geoordeeld dat ATV- en KNV-dagen niet gelijkgesteld kunnen worden aan vakantiedagen en dat het UWV bij de berekening van het tegoed aan vakantiedagen alleen rekening hoeft te houden met de referteperiode. De Centrale Raad van Beroep corrigeert dit en stelt dat bij de berekening van vakantiedagen de arbeidsrechtelijke regels gelden en dat het UWV een maximum stelt volgens de WW. De Raad bevestigt dat KNV-dagen niet aan het vakantietegoed worden toegevoegd en dat ATV-dagen een ander doel hebben dan vakantiedagen.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en de besluiten van het UWV, behalve voor zover het gaat om proceskosten en griffierecht. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot het betalen van wettelijke rente over de nabetaalde bedragen en tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten van het UWV over de vergoeding van vakantiedagen, ATV-dagen en KNV-dagen en veroordeelt het UWV tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.