ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op overname betalingsverplichtingen bij arbeidsovereenkomst bepaalde tijd
Appellant was werkzaam bij een bedrijf dat op 1 februari 2011 failliet werd verklaard. Hij vroeg een faillissementsuitkering aan, maar het Uwv stelde vast dat het recht op overname van betalingsverplichtingen eindigde op 18 januari 2011, de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigde. Appellant maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat appellant had ingestemd met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 18 januari 2011 eindigde. In hoger beroep stelde appellant dat hiervoor onvoldoende feitelijke grondslag bestond. De Raad concludeerde dat appellant geen aanvullend bewijs aanleverde en dat de beschikbare stukken, waaronder een niet-ondertekend contract en correspondentie, de conclusie ondersteunen dat de arbeidsovereenkomst op 18 januari 2011 eindigde.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanwijzing dat partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hadden beoogd. De beslissing van het Uwv om het recht op overname betalingsverplichtingen te beëindigen was daarmee terecht.
Uitkomst: Het recht op overname betalingsverplichtingen eindigde op 18 januari 2011, de datum waarop de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigde.