ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- W.F. Claessens
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet-melding bijzonder nabestaandenpensioen
Appellante ontving bijstand van 13 december 2006 tot 1 oktober 2009. Tijdens een onderzoek bleek dat zij vanaf 24 april 2006 recht had op een bijzonder nabestaandenpensioen van het ABP, dat maandelijks werd uitbetaald op de bankrekening van haar meerderjarige dochter. Appellante had dit pensioen niet gemeld aan het college, wat een schending van haar inlichtingenverplichting vormde.
Het college herzag daarop de bijstand en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het pensioen niet haar inkomen was omdat het aan haar dochter werd uitbetaald, en dat het college al op de hoogte was via Suwinet. Ook stelde zij dat de terugvordering gematigd had moeten worden vanwege haar goede trouw en de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie.
De Raad oordeelde dat het pensioen inkomen was in de zin van de WWB en dat appellante redelijkerwijs had moeten weten dat zij dit moest melden, mede omdat het pensioen niet overdraagbaar was. De uitbetaling aan haar dochter deed hieraan niet af. De schending van de inlichtingenverplichting was daarmee vastgesteld. Het beroep op de zesmaandenjurisprudentie faalde omdat sprake was van schending van de inlichtingenverplichting. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Appellante had het bedrag inmiddels volledig voldaan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de bijstand blijft in stand.