ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten na rechterlijk ontruimingsvonnis
Appellante, een vrouw met beperkingen, moest haar rolstoelgeschikte woning ontruimen na een rechterlijk ontruimingsvonnis gerelateerd aan haar alcoholproblematiek. Zij vroeg een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten aan op grond van de Wmo, maar het college wees dit af omdat de kosten als algemeen gebruikelijk werden beschouwd en er geen dringende noodzaak was voor de verhuizing.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en onderschreef het standpunt van het college dat de verhuizing geen bijzondere situatie betrof. In hoger beroep stelde appellante dat het ontruimingsvonnis een dringende reden vormde, maar het college betoogde dat dit niet anders was dan bij andere personen die om persoonlijke redenen verhuizen.
De Raad constateerde dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door nieuwe gronden aan te voeren en vernietigde de uitspraak wegens strijd met de Awb. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de verhuis- en inrichtingskosten als algemeen gebruikelijk moesten worden aangemerkt. Desondanks handhaafde de Raad de rechtsgevolgen van het besluit omdat de ontruiming verband hield met de eigen risicosfeer van appellante.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht moest worden terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Brand en leden Van Male en Bel op 10 april 2013.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand vanwege de eigen risicosfeer van appellante.