ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet
Appellante, geboren in 1934 en woonachtig in Hongarije sinds 2006, ontvangt een AOW-pensioen en heeft op grond van de Verordening (EEG) 1408/71 recht op medische zorg in haar woonland ten laste van Nederland. Het College voor zorgverzekeringen (Cvz) stelde de buitenlandbijdrage Zvw voor 2007 vast op €655,49. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat de bijdrage onterecht een AWBZ-premiedeel bevatte, terwijl in Hongarije geen AWBZ-zorg wordt verleend.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en motiveerde dat de bijdrage is gebaseerd op het Nederlandse systeem en bestaat uit een nominaal, inkomensafhankelijk en AWBZ-vergelijkbaar deel, vermenigvuldigd met een woonlandfactor die rekening houdt met verschillen in zorgniveau tussen Nederland en het woonland. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij een keuzerecht zou moeten hebben om zich aan de Verordening te onttrekken.
De Raad overwoog dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en bevestigde de rechtbankuitspraak. Tevens verwees de Raad naar een arrest van het Hof van Justitie waarin is bepaald dat de conflictregels van Vo. 1408/71 dwingend zijn en sociaal verzekerden zich niet kunnen onttrekken aan de toepasselijke wettelijke regeling. De buitenlandbijdrage is correct vastgesteld en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de buitenlandbijdrage Zvw.