ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en AOW-verzekering van erkende vluchtelingen
Appellanten, geboren in Irak en erkend als vluchtelingen, kwamen in juli 1991 naar Nederland en vroegen direct om toelating als vluchteling. De Sociale Verzekeringsbank stelde vast dat zij niet verzekerd waren voor de AOW vanaf hun vijftiende verjaardag tot 2 april 1992. De rechtbank oordeelde dat de duurzame band met Nederland pas ontstond met inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) op 2 april 1992.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij vanaf aankomst in Nederland als ingezetenen moesten worden beschouwd, onder meer vanwege de geboorte van hun dochter in Nederland en het schoolgaan van hun zoon. De Raad overwoog dat dergelijke omstandigheden onvoldoende zijn om eerder ingezetenschap aan te nemen, mede gelet op eerdere jurisprudentie. Het verblijf in asielzoekerscentra en het ontbreken van bewijs van deelname aan taallessen of inburgering vóór 3 april 1992 ondersteunen dit oordeel.
Verder werd geoordeeld dat appellanten als erkende vluchtelingen op grond van artikel 24 van Pro het Vluchtelingenverdrag aanspraak maken op gelijke behandeling als Nederlandse onderdanen, maar dat dit niet betekent dat zij automatisch als ingezetenen worden aangemerkt. De Raad verwierp het beroep op ongelijke behandeling en bevestigde het eerdere oordeel van de rechtbank. De proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Appellanten worden pas vanaf 3 april 1992 als ingezetenen voor de AOW verzekerd geacht.