ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens zonder reële schuld
Appellant ontving bijstand over de periode van 1 januari 2004 tot en met 12 februari 2009. Na een onderzoek naar verzwegen vermogen en werkzaamheden stelde het college vast dat appellant een erfenis had ontvangen die leidde tot overschrijding van de vermogensgrens. Op basis hiervan werd de bijstand over de periode ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank had het bedrag van de vermogensoverschrijding bijgesteld, maar handhaafde het besluit tot terugvordering. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de berekening onjuist was, onder meer vanwege een tekort op bankrekeningen en het niet meenemen van een schuld die hij had bij een bank. De Raad oordeelde dat het tekort op de bankrekeningen terecht in mindering moest worden gebracht, maar dat de vermeende schuld niet als reële schuld kon worden beschouwd.
Verder stelde de Raad vast dat door de bijstelling van het bedrag van de vermogensoverschrijding het terugvorderingsbedrag hoger was dan het bedrag aan netto bijstand dat appellant had ontvangen, wat niet juist was. De Raad vernietigde daarom het besluit voor zover het de terugvordering betrof, stelde het terugvorderingsbedrag vast op een lager nettobedrag van € 11.824,94, dat door het college kan worden gebruteerd en teruggevorderd. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het terugvorderingsbedrag van de bijstand wordt verlaagd en vastgesteld op € 11.824,94 netto.