ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een zieke werknemer. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken omdat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werknemer te laten terugkeren in het arbeidsproces.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de werkgever te laat was gestart met re-integratie, ondanks benutbare mogelijkheden van de werknemer. De werkgever stelde in hoger beroep dat de diagnose onduidelijk was en dat de werknemer vanaf februari 2011 op een beschermde werkplek werkte, wat zou aantonen dat re-integratie in het vrije bedrijf niet mogelijk was.
De Raad overwoog dat het feit dat de werknemer later een WSW-indicatie kreeg en op een werkervaringsplek werkte, niet betekent dat de loonsanctie onterecht was. De bedrijfsarts had eerder een belastbaarheidsprofiel moeten opstellen en re-integratie moeten starten. Het uitstellen van re-integratie vanwege een mogelijke autisme diagnose leidde tot onnodige vertraging.
De Raad concludeerde dat de loonsanctie terecht was opgelegd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.