ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8634

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-2143 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a ZWArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op Ziektewet-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door zwangerschap of bevalling

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank die het bestreden besluit vernietigde en oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid van een werkneemster toe te rekenen is aan zwangerschap en bevallingsklachten. De werkneemster beviel prematuur via keizersnede en meldde zich ziek vanwege psychische klachten na afloop van haar WAZO-uitkering.

De rechtbank oordeelde dat er een causaal verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en de zwangerschap/bevalling, mede gelet op medische rapportages en het feit dat de werkneemster haar werkzaamheden gedeeltelijk hervatte kort na juli 2011. De appellant stelde in hoger beroep dat de arbeidsongeschiktheid niet langer aan de zwangerschap toegerekend kon worden, verwijzend naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts die psychische klachten toeschreef aan aanpassingsproblematiek.

De Centrale Raad van Beroep stelt dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor een andere oorzaak dan zwangerschap en bevalling en verwijst naar eerdere jurisprudentie die het causale verband bevestigt. De Raad herroept het besluit van 27 juli 2011 en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee de Ziektewet-uitkering ten onrechte werd beëindigd.

Uitkomst: De Ziektewet-uitkering is ten onrechte beëindigd; het besluit wordt herroepen en de werkneemster behoudt recht op uitkering.

Uitspraak

12/2143 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ? s-Gravenhage van
2 februari 2012, 11/7829 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[Betrokkene] te ? [vestigingsplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak 24 april 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Brouwer.
OVERWEGINGEN
1.1. [Naam werkneemster], (werkneemster) is bij betrokkene werkzaam als pedagogisch medewerkster. Op 17 maart 2011 is werkneemster - negen weken te vroeg - door middel van een keizersnede, na een gecompliceerde zwangerschap, bevallen van een zoon. Op 8 juli 2011 heeft werkneemster, zich aansluitend aan de periode waarin zij een uitkering in het kader van de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontving, ziek gemeld vanwege psychische klachten. Werkneemster is in dat verband op 27 juli 2011 op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest, die tot de conclusie kwam dat er per datum einde WAZO-uitkering geen sprake was van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en bevalling. Hierop heeft appellant werkneemster bij besluit van 27 juli 2011 meegedeeld dat zij vanaf 13 juli 2011 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling. Aan werkneemster is van 8 juli 2011 tot 13 juli 2011 een ZW-uitkering toegekend.
1.2. Het door betrokkene tegen het besluit van 27 juli 2011 gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 5 september 2011 (bestreden besluit) - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 5 september 2011 - ongegrond verklaard. Daarbij is te kennen gegeven dat werkneemster per 8 juli 2011 en dus ook per 13 juli 2011 niet (langer) arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap of bevalling.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat er aanknopingspunten bestaan om de door betrokkene gestelde arbeidsongeschiktheid van werkneemster voor haar werk op en na 13 juli 2011 toe te rekenen als direct gevolg van de zwangerschap en/of bevallingsklachten. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen de door de behandelend gynaecoloog verstrekte informatie alsmede dat werkneemster reeds in juli 2011 haar werkzaamheden gedeeltelijk heeft hervat en betrekkelijk kort daarna in september 2011 volledig. Volgens de rechtbank blijkt uit de door appellant aangehaalde uitspraak van de Raad van 21 november 2007 (LJN BB8492) dat een life-event wel degelijk kan worden toegerekend aan een zwangerschap en/of bevalling, maar dat met name de duur van het voortduren van de arbeidsongeschiktheid in samenhang met bijkomende omstandigheden aanleiding kan geven om het voortduren ervan niet langer als een rechtsreeks gevolg aan te merken van de zwangerschap en/of bevalling. Gelet op de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en het tijdsverloop - tussen de bevalling op 17 maart 2011 en de datum in geding zijn vier maanden verstreken - heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank onterecht geen causale relatie meer aangenomen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich gebaseerd op het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 2 april 2012. De bezwaarverzekeringsarts wijst er daarin op dat de informatie van de gynaecoloog feitelijke gegevens bevat over het verloop van de zwangerschap, maar niet over de vraag of werkneemster op en na 8 juli 2011 nog steeds arbeidsongeschikt was als direct gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kan de spoedige re-integratie van werkneemster ook niet als argument dienen voor het aannemen van een causale relatie. De psychische klachten op en na 8 juli 2011 vinden volgens de bezwaarverzekeringsarts hun oorzaak in aanpassingsproblematiek, te weten het niet hebben verwerkt van de verdrietige, spanningsvolle gebeurtenissen rondom en na de bevalling en (in mindere mate) van de zwangerschap. Het betreft dus volgens de bezwaarverzekeringsarts een psychische reactie op een life-event.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op uitkering ingevolge de WAZO is geëindigd, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.
4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 5 juli 2011 het volgende overwogen:
" Hoewel sprake is geweest van een pathologisch verlopen zwangerschap, premature geboorte (bij 31 weken) en bevalling middels keizersnede resp. langdurige ziekenhuisopname van haar zoontje kan worden gesteld dat de arbeidsongeschiktheid van wn per einde WAZO 08-07-2011 werd bepaald door psychische klachten die het rechtstreekse gevolg zijn van het niet kunnen verwerken van emotioneel belastende gebeurtenissen die tijdens de zwangerschap, rond de bevalling en daarna hebben plaatsgehad."
4.3. Gelet op de in 4.2. weergegeven overweging van de bezwaarverzekeringsarts valt niet in te zien dat ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster geen rechtstreeks causaal verband aangenomen moet worden met de zwangerschap/bevalling. Het dossier biedt in het licht van voormeld citaat geen enkel aanknopingspunt voor het aannemen van een mogelijke andere oorzaak voor de arbeidsongeschiktheid dan de zwangerschap/bevalling. Verwezen kan hierbij ook worden naar de uitspraak van de Raad van 23 maart 2005, LJN AT2718, waaruit blijkt dat door appellant met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster in die zaak, in een vergelijkbaar feitencomplex, nog geruime tijd aansluitend aan de bevallingsuitkering wel causaal verband is aangenomen. Appellant heeft dan ook ten onrechte de per 8 juli 2011 aan de werkneemster toegekende ZW-uitkering per 13 juli 2011 beëindigd.
4.4. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. In verband met het feit dat rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 27 juli 2011 te herroepen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, behoudens voor zover daarbij opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij opdracht is gegeven tot het
nemen van een nieuw besluit;
- herroept het besluit van 27 juli 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het
besluit van 5 september 2011;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) Z. Karekezi
QH