ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen toegenomen beperkingen
Appellante, voormalig schoonmaakster, vroeg een uitkering aan op grond van de Wet WIA na ziekmelding met diverse klachten. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 27%, wat onvoldoende is voor een uitkering. Na bezwaar en beroep werd dit percentage licht bijgesteld naar 27,3%, maar bleef de uitkering geweigerd.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen waren toegenomen en dat zij niet geschikt was voor de voorgehouden functies, mede vanwege medische onderzoeken en een tumor. Het UWV en de rechtbank oordeelden dat de medische en arbeidskundige beoordeling juist was en dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad benadrukt dat artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA alleen een toename van medische beperkingen betreft, niet van algemene arbeidsongeschiktheid. Omdat appellante geen nieuwe medische beperkingen had aangetoond, was geen recht op uitkering ontstaan.
De Raad wijst ook op de consistentie met eerdere jurisprudentie over de Amberregeling en bevestigt dat de arbeidskundige beoordeling zonder medische toename niet relevant is. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van toegenomen beperkingen.