ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een langdurig zieke werknemer. De loonsanctie hield in dat de werkgever het loon langer moest doorbetalen omdat het re-integratieverslag niet tijdig en volledig was ingediend en de re-integratie-inspanningen onvoldoende werden geacht.
De rechtbank had het beroep van de werkgever ongegrond verklaard, stellende dat er een fors verschil van inzicht bestond tussen werkgever en werknemer over de re-integratie, dat onvoldoende was opgelost. De werkgever had onvoldoende concrete stappen ondernomen om dit verschil te overbruggen, zoals mediation of het inzetten van een spoor 2-traject om passend werk buiten de eigen organisatie te zoeken.
In hoger beroep voerde de werkgever aan dat het al vroeg duidelijk was dat druk op de werknemer onverantwoord was en dat mediation geen zin had vanwege de weigering van de werknemer. Het UWV stelde dat de werkgever te lang binnen spoor 1 bleef hangen en geen adequaat spoor 2-traject heeft ingezet.
De Raad oordeelde dat de rapporten van arbeidsdeskundigen overtuigend aantonen dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder deugdelijke grond. De werkgever had meer moeten doen om het verschil van inzicht op te lossen en een spoor 2-traject te starten. De psychische gesteldheid van de werknemer stond een dergelijk traject niet in de weg. De loonsanctie werd daarom bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen.