ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslag wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een toeslag voor gehuwden of ongehuwd samenwonenden op grond van de Toeslagenwet. Het UWV beëindigde deze toeslag over meerdere perioden en vorderde het bedrag van €4.444,72 terug omdat appellant niet had gemeld dat hij geen gezamenlijke huishouding meer voerde met zijn (ex-)partner. De rechtbank vernietigde het besluit deels omdat appellant over een deel van de periode ten onrechte niet als alleenstaande ouder werd aangemerkt. Het UWV herstelde dit besluit en verlaagde het terugvorderingsbedrag.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel een gezamenlijke huishouding voerde, onderbouwd met overeenkomsten en bankafschriften, en dat het UWV zelf onderzoek had moeten doen naar zijn situatie. De Raad oordeelde dat de overgelegde overeenkomsten ongeloofwaardig en onvoldoende waren om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. Ook het adres van bankafschriften was onvoldoende bewijs. De Raad stelde dat het UWV terecht terugvordering toepaste en dat appellant onterecht het UWV medeverantwoordelijk hield.
De Raad concludeerde dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien en verwierp het hoger beroep. De eerdere uitspraken werden bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de toeslag wegens ontbreken gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.