ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel
Appellanten hadden bijstand ontvangen die het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk op 5 januari 2011 met ingang van 1 december 2010 introk. Het college verklaarde het bezwaar van appellanten tegen deze intrekking op 5 april 2011 ongegrond. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij op grond van een afspraak met het college op 17 maart 2011 mochten vertrouwen op een welwillende heroverweging van hun recht op bijstand, mits zij alsnog bankafschriften konden overleggen. Zij stelden schade te hebben geleden en vorderden materiële en immateriële schadevergoeding.
De Raad oordeelde dat er geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging was gedaan die een gerechtvaardigde verwachting kon wekken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, mede omdat gevraagde stukken niet binnen de hersteltermijn waren ingediend en pas in de bezwaarfase overgelegde stukken volgens vaste gedragslijn geen betekenis hebben. Ook de ingebrachte stukken over een klacht bij de Nationale ombudsman veranderden dit oordeel niet.
Verder werd geoordeeld dat het college redelijk gebruik had gemaakt van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand. Het verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding werd afgewezen, mede omdat de redelijke termijn voor de procedure niet was overschreden. De Centrale Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees alle verzoeken tot schadevergoeding af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd en het beroep op het vertrouwensbeginsel en schadevergoeding wordt afgewezen.