ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- A.B.J. van der Ham
- E.E.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen niet-ontvankelijkverklaring schadevergoeding AOW-uitkering
Appellant ontving een AOW-uitkering voor een ongehuwde pensioengerechtigde, die later werd herzien naar een gehuwdenpensioen op grond van een gezamenlijke huishouding met zijn partner. Na diverse besluiten en rechtsmiddelen werd vastgesteld dat appellant vanaf februari 2008 een gezamenlijke huishouding voerde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag het pensioen in 2009 terug naar een ongehuwdenpensioen.
Appellant diende bezwaar in tegen de berekening van nabetalingen en het niet betalen van een schadevergoeding voor reiskosten. De Svb verklaarde het bezwaar tegen de schadevergoeding niet-ontvankelijk omdat het geen zelfstandig schadebesluit betrof waartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstonden. De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond verklaarde voor het schadevergoedingsdeel.
De Raad oordeelde dat de schadevergoeding niet kan worden beschouwd als een zelfstandig besluit en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Het beroep tegen het besluit van 23 december 2011, waarin de Svb het pensioen herzag en wettelijke rente toekende, werd ongegrond verklaard. De Raad bepaalde dat appellant het betaalde griffierecht vergoed krijgt en wees het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar af.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen het niet betalen van schadevergoeding wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening van de AOW-uitkering bevestigd.