ECLI:NL:CRVB:2013:CA0309

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-4413 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijdrage kosten reguleren gebit wegens ontbreken verband met vervolging

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank om een aanvraag voor een bijdrage in de kosten van het reguleren van haar gebit af te wijzen. De aanvraag werd afgewezen omdat de gebitsproblemen pas vanaf 1990 zijn begonnen en niet in verband worden gebracht met de vervolging in de oorlogsjaren.

Appellante stelde dat zij al in 1960 parodontale problemen had, wat volgens haar de reden was voor het trekken van vier voortanden. De tandheelkundig adviseur van verweerder concludeerde echter dat de problemen in 1950 voornamelijk orthodontisch waren en dat de parodontitis waarschijnlijk pas op volwassen leeftijd begon.

De Raad overwoog dat er onvoldoende medische gegevens zijn die aantonen dat er vanaf de vervolging of jeugdige leeftijd een doorgaande lijn van parodontale klachten is geweest. De tandheelkundige gegevens uit die periode ontbreken en ook de behandelend tandarts bevestigt geen parodontale problematiek op jeugdige leeftijd.

Op grond van deze overwegingen verklaarde de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en handhaafde het de afwijzing van de aanvraag voor een bijdrage in de kosten van gebitsregulering.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een bijdrage in de kosten van gebitsregulering wordt gehandhaafd.

Uitspraak

11/4413 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
In het geding tussen:
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 16 mei 2013
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juli 2011, kenmerk BZ01314466 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en enkele vragen van de Raad beantwoord.
Appellante heeft nog nader gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 30 mei 2008 heeft verweerder erkend dat appellante vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan en dat ze psychische klachten heeft die met die vervolging in verband staan. Hierbij zijn aan haar toegekend een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer.
1.2. In november 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een bijdrage in de kosten van het reguleren van haar gebit. Na advisering door de tandheelkundig adviseur van verweerder, M. Schächter, en de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, is hierop afwijzend beslist bij besluit van 23 maart 2011. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd, nadat opnieuw medisch advies was ingewonnen. Hierbij is overwogen dat de gebitsproblemen van appellante een gevolg zijn van parodontale problemen, die pas zijn begonnen in 1990 en toen hebben geleid tot behandeling. De gebitsproblemen in 1950 waren voornamelijk van orthodontische aard. Gezien het moment van het ontstaan van de klachten, zeer veel jaren na de vervolging, is een verband met de vervolging niet aanvaard.
2. Appellante voert aan dat zij al in 1960 parodontale problemen had, nu terugtrekkend tandvlees de reden was voor het trekken van haar vier voortanden toen. Parodontologische behandeling bestond toen nog niet in Nederland en kwam voor haar te laat.
3. Verweerder heeft zich geschaard achter het ook in beroep gehandhaafde standpunt van de tandheelkundig adviseur Schächter, inhoudende dat uit het feit dat er nu bijna geen kaakwal meer in de bovenkaak aanwezig is het beginmoment van de parodontale problemen niet is af te leiden. Dat appellante nog zo lang haar andere gebitselementen gehouden heeft is een aanwijzing dat de parodontitis niet op jeugdige leeftijd is begonnen. Volgens deze adviseur is aannemelijk dat er in het geval van appellante sprake is van een parodontitis die op de volwassen leeftijd is begonnen, waartoe de gevoeligheid toeneemt met de leeftijd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In de gedingstukken van medische aard zijn geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van verweerder onjuist te achten. Gezien ook het advies van de behandelend tandarts zijn de huidige gebitsproblemen een gevolg van parodontitis. Al in eerdere vergelijkbare gevallen heeft de Raad zich kunnen verenigen met het in zaken als deze door verweerder gehanteerde uitgangspunt dat parodontale klachten vanwege het multi-factoriële karakter daarvan niet aan de vervolging zijn toe te schrijven, tenzij uit de gegevens duidelijk blijkt van een doorgaande lijn van die klachten sinds de oorlogsjaren of vanaf jeugdige leeftijd (CRvB 5 juni 2008, LJN BD4001).
4.2. Er zijn onvoldoende gegevens naar voren gekomen waaruit blijkt dat zich bij appellante vanaf de vervolging of in de jaren daarna op jeugdige leeftijd een zogenoemde rode draad van parodontale klachten heeft voorgedaan. Tandheelkundige gegevens uit die periode ontbreken geheel en ook uit de door de behandelend tandarts van appellante verstrekte gegevens blijkt niet van een parodontale problematiek op jeugdige leeftijd en een doorgaande lijn sindsdien. Wel wijt appellante zelf het trekken van haar vier voortanden hieraan, maar de tandheelkundig adviseur heeft op grond van de informatie van de behandelend tandarts van appellante geconcludeerd dat de gebitsproblemen in 1950 voornamelijk van orthodontische aard waren (appellante droeg jarenlang een beugel) en niet parodontaal. Appellante heeft ook ter zitting te kennen gegeven dat haar overige gebitselementen vanaf 1990 gingen uitvallen. Juist aan het gegeven dat appellante het grootste deel van haar gebit nog tot die tijd heeft behouden, heeft de tandheelkundig adviseur van verweerder in de onder 3 vermelde reactie op vragen van de Raad doorslaggevende betekenis toegekend bij zijn oordeel dat de hiervoor vermelde doorgaande lijn ontbreekt.
5. Gezien het vorenstaande wordt het beroep van appellante ongegrond verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) J.T.P. Pot