ECLI:NL:CRVB:2013:CA0319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand sinds 1991 en stond ingeschreven op een adres te ’s-Gravenhage. Het college stelde na onderzoek vast dat appellante en appellant een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellante dit niet had gemeld, waardoor de bijstand werd ingetrokken en kosten werden teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellanten deels gegrond en handhaafde de intrekking over een deel van de periode. Appellanten gingen in hoger beroep tegen het oordeel over de gezamenlijke huishouding en stelden dat appellant niet zijn hoofdverblijf bij appellante had en dat er onvoldoende zorg en financiële verstrengeling was.
De Raad concludeert dat appellant vanaf 8 maart 2004 tot 3 januari 2010 feitelijk zijn hoofdverblijf bij appellante had en dat er sprake was van wederzijdse zorg, ondanks het ontbreken van financiële verstrengeling. De Raad oordeelt dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden en het college bevoegd was tot intrekking en terugvordering over deze periode.
De Raad vernietigt het besluit voor de periode van 1 januari 2003 tot 7 maart 2004 en herroept het besluit voor die periode, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte. Het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt deels vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.