ECLI:NL:CRVB:2013:CA0761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering startende zelfstandige
Appellant ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming voor een startperiode als zelfstandige waarbij 70% van zijn inkomsten in mindering zou worden gebracht op de uitkering. Na afloop van deze periode stelde het UWV vast dat appellant meer inkomsten had dan het voorschot en vorderde het een bedrag van bijna €9.755 terug.
Appellant voerde aan onvoldoende geïnformeerd te zijn over de berekeningswijze en stelde dat hij door een medewerker van het CWI was voorgelicht dat de WW-uitkering als startkapitaal moest worden gezien. De Raad concludeerde dat er geen bewijs is van onjuiste voorlichting en dat appellant op de hoogte had kunnen zijn van de berekeningswijze via het in het Staatsblad gepubliceerde Besluit.
De Raad oordeelde dat het UWV verplicht was de onverschuldigde uitkering terug te vorderen, aangezien artikel 36 van Pro de WW dit dwingend voorschrijft. Er waren geen dringende redenen aanwezig om van terugvordering af te zien. De rechtbank had het beroep van appellant al ongegrond verklaard, en deze uitspraak werd door de Centrale Raad bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering aan appellant.