ECLI:NL:CRVB:2013:CA0763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering loonsanctie werkgever na afloop wachttijd WIA
Appellante was sinds 2000 werkzaam als assistent accountant en meldde zich in 2008 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten. Na medisch en arbeidskundig onderzoek kende het UWV haar in 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, waarbij werd vastgesteld dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Appellante maakte bezwaar tegen het besluit dat geen loonsanctie werd opgelegd, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank onderschreef de medische en arbeidskundige beoordeling en oordeelde dat de werkgever voldoende had gedaan aan re-integratie, ondanks een mogelijk verhardende verhouding tussen partijen. In hoger beroep stelde appellante dat een verdere urenbeperking noodzakelijk was en dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. De Raad concludeerde echter dat deze stelling niet met nieuwe medische gegevens was onderbouwd en dat de werkgever redelijk had gehandeld.
Belangrijk was dat de aanvraag voor het opleggen van een loonsanctie pas na afloop van de wettelijke wachttijd van 104 weken werd ingediend. Volgens artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA kan het UWV na afloop van deze wachttijd geen loonsanctie meer opleggen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen loonsanctie op te leggen wordt bevestigd.