ECLI:NL:CRVB:2013:CA0789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over recht op insolventie-uitkering voor niet-rechtmatig verblijvende derdelanders
Appellant, een Turkse onderdaan zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werkte sinds 1997 met onderbrekingen in Nederland en was vanaf 2005 in dienst bij een werkgever die in 2008 failliet ging. Hij vroeg een WW-insolventie-uitkering aan wegens niet-betaald loon, die werd afgewezen omdat hij geen rechtmatig verblijf had. De rechtbank bevestigde dit oordeel. De Centrale Raad van Beroep stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU over de uitleg van de Insolventierichtlijn en de toepasselijkheid daarvan op derdelanders zonder rechtmatig verblijf.
De Raad overwoog dat de Insolventierichtlijn geen expliciete uitsluiting van niet-rechtmatig verblijvende derdelanders bevat, maar dat nationale wetgeving zoals de WW dit wel doet. Civielrechtelijk wordt appellant als werknemer beschouwd, maar de WW sluit niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen uit voor de insolventie-uitkering. De Raad achtte de uitsluiting mogelijk onverenigbaar met de Insolventierichtlijn en legde de vraag voor aan het Hof.
De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van nationale en Europese regelgeving, waaronder de Vreemdelingenwet, het EG-Verdrag, de Insolventierichtlijn, en relevante arresten. De Raad houdt de verdere behandeling aan tot het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep houdt de zaak aan in afwachting van de prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie EU over de toepasselijkheid van de Insolventierichtlijn op niet-rechtmatig verblijvende derdelanders.