ECLI:NL:CRVB:2013:CA0913
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling dagloon en WIA-uitkering na ouderschapsverlof en CAO-wijzigingen
Appellant was sinds 1995 in dienst en onderging diverse wijzigingen in werkroosters en arbeidsvoorwaarden, waaronder een uitbreiding van de werkweek en vermindering van onregelmatigheidstoeslag. Na mediation sloten partijen een vaststellingsovereenkomst over het loon in de periode 2005-2006. Appellant genoot ouderschapsverlof van 2002 tot 2004 en werd in 2004 ziek.
Het UWV stelde vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering per 20 april 2007 vanwege onvoldoende verdienverlies, maar kende wel een WW-uitkering toe. Later werd het dagloon voor de WGA-uitkering vastgesteld, waarbij appellant bezwaar maakte tegen de hoogte.
De rechtbank oordeelde dat het refertejaar correct was vastgesteld en dat het loon in dat jaar juist was bepaald, mede omdat de CAO-Taxivervoer 2002-2003 vanaf 1 januari 2002 van toepassing was. Het verzoek tot vergoeding van rechtsbijstandskosten werd afgewezen.
In hoger beroep bestreed appellant deze overwegingen, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het UWV het dagloon juist had vastgesteld en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om af te wijken van het forfaitaire systeem voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van het dagloon en wijst het hoger beroep af.