ECLI:NL:CRVB:2013:CA0917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag en boete wegens gezamenlijke huishouding en schending mededelingsplicht
Appellant ontving toeslagen op uitkeringen Ziektewet en WGA voor een ongehuwde, maar het UWV stelde na onderzoek vast dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-echtgenote, met wie hij een kind heeft. Op grond hiervan werden toeslagen ingetrokken en teruggevorderd over de periode 2007-2011, en werd een boete opgelegd wegens het niet juist informeren over zijn woonsituatie.
Appellant voerde aan dat hij niet op het adres van zijn ex-echtgenote verbleef en dat hij de mededelingsplicht niet had geschonden. Hij overhandigde een verklaring van een derde en stelde dat hij merendeels in Turkije verbleef of bij familie. De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf moest worden beoordeeld op basis van concrete feiten en omstandigheden, waarbij het aanhouden van meerdere adressen niet uitsluit dat sprake is van gezamenlijke huishouding.
De Raad vond voldoende grondslag dat appellant in de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-echtgenote, mede gelet op eerdere verklaringen van appellant zelf en verklaringen van derden. De intrekking en terugvordering van toeslagen zijn herstelmaatregelen en geen bestraffende sancties, waardoor het opleggen van een boete daarnaast rechtmatig is.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van toeslagen en boete worden bevestigd.