ECLI:NL:CRVB:2013:CA0942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die zich ziek meldde wegens rugklachten, kreeg op 6 juli 2010 bericht dat hij geen WIA-uitkering ontvangt omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Het UWV baseerde dit op een medische beoordeling waarin werd vastgesteld dat appellant geschikt is voor de hem voorgehouden functies ondanks zijn beperkingen.
Appellant maakte bezwaar en bracht medische stukken in, waaronder een brief van een neurochirurg die stelde dat bepaalde fysieke activiteiten onmogelijk zijn. De bezwaarverzekeringsarts weerlegde dit en motiveerde dat de beperkingen niet zo ernstig zijn als gesteld. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep ongegrond en vond de medische beoordeling zorgvuldig en onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het feit dat hij een Belgische invaliditeitsuitkering genoot relevant is en dat hij de fysieke werkzaamheden niet kan verrichten. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd die het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts ondermijnt. Ook is de Belgische uitkering niet relevant voor de Nederlandse beoordeling. Het beroep op artikel 12 van Pro het Europees Sociaal Handvest faalt eveneens.
De Raad bevestigt het oordeel dat appellant geschikt is voor de voorgehouden functies en dat het beroep ongegrond is. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en weigering WIA-uitkering bevestigd.