ECLI:NL:CRVB:2013:CA1651

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-3303 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 10 Besluit studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling recht op maximale aanvullende beurs wegens niet inbare alimentatie

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin geen rekening werd gehouden met het inkomen van haar vader bij de vaststelling van haar aanvullende beurs studiefinanciering. De Minister had het bezwaar ongegrond verklaard, stellende dat de door appellante overgelegde verklaringen onvoldoende waren om aan te tonen dat de alimentatie niet inbaar was.

De rechtbank Assen verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet rechtsgeldig tot stand was gekomen omdat deze zonder toestemming van partijen buiten een nadere zitting was gedaan. De Raad vernietigde daarom de uitspraak en het bestreden besluit van de Minister.

De Raad overwoog dat verklaringen van bevoegde instanties zoals de gemeente Leeuwarden, die de draagkracht van de vader had getoetst en vastgesteld dat hij geen draagkracht had om alimentatie te betalen, voldoende bewijs vormen van niet inbare alimentatie. De Raad bepaalde dat appellante vanaf 1 januari 2013 recht heeft op de maximale aanvullende beurs en veroordeelde de Minister in de proceskosten.

Uitkomst: Appellante krijgt vanaf 1 januari 2013 recht op de maximale aanvullende beurs vanwege niet inbare alimentatie.

Uitspraak

12/3303 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 1 mei 2012, 11/329 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 31 mei 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.A. Bruinsma-Woudstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 2 april 2013 heeft de Minister een bericht studiefinanciering 2013, nr. 2 van 22 maart 2013 overgelegd. Over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 wordt geen rekening gehouden met het inkomen van appellantes vader op grond van het door de Minister gevoerde beleid ter zake van ouders in een wettelijk schuldsaneringstraject. Over genoemde periode ontvangt appellante de maximale aanvullende beurs.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2013. Appellante is niet verschenen De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 31 januari 2011 heeft de Minister appellante meegedeeld met ingang van 1 januari 2011 geen rekening meer te houden met het inkomen haar vader. De vastgestelde alimentatie, vermeerderd met de wettelijke indexering, wordt in de plaats gesteld van de veronderstelde ouderbijdrage. De aanvullende beurs over 2011 wordt dus verminderd met
€ 165,48 per maand. Bij besluit van 13 april 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is gesteld dat in bepaalde gevallen geen rekening wordt gehouden met de vastgestelde alimentatie, onder meer als de alimentatie oninbaar is gedurende tenminste twaalf maanden voorafgaande aan de maand waarin de studerende voor het eerst studiefinanciering ontvangt. De door appellante overgelegde verklaringen van de gemeente Leeuwarden - inhoudende dat de gemeente de draagkracht van de vader op diverse momenten getoetst heeft en van mening was dat hij geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen - acht de Minister daarvoor onvoldoende.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich daar in hoger beroep tegen gekeerd. Zij heeft gesteld dat haar vader in de WSNP-regeling heeft gezeten en daarvan een verklaring overgelegd. Voorts heeft zij brieven van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) overgelegd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. In de eerste plaats ziet de Raad aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de aangevallen uitspraak op een juiste wijze tot stand is gekomen. Nadat de rechtbank het beroep op 7 februari 2012 ter zitting had behandeld, heeft de Minister op 9 februari 2012 een nader stuk ingezonden. Vervolgens heeft de rechtbank op 1 mei 2012 uitspraak gedaan, zonder dat aan partijen toestemming was gevraagd voor het afdoen van de zaak buiten een nadere zitting. De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak, als in strijd met artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Omdat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.
4.3. De Minister heeft bij het bericht van 22 maart 2013 de aanvullende beurs van appellante voor de jaren 2011 en 2012 vastgesteld naar de maximale omvang. Appellante houdt niettemin belang bij een oordeel van de Raad over het bestreden besluit. Het bestreden besluit ziet immers ook op de periode vanaf 1 januari 2013 totdat appellante 21 jaar is. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad dan ook het bestreden besluit beoordelen.
4.4. In geschil is of appellante door middel van een verklaring van een ter zake deskundige als bedoeld in artikel 10 van Pro het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) heeft aangetoond dat sprake is van niet inbare alimentatie. In de Toelichting bij het Bsf 2000 is in dit verband opgenomen - kort gezegd - dat als bewijsstuk van niet inbare alimentatie kan gelden een verklaring van een daartoe bevoegde instantie zoals het LBIO of de Gemeentelijke Sociale Dienst. Ter zitting heeft de Minister desgevraagd gezegd dat, gelet op deze toelichting, de verklaringen van de gemeente Leeuwarden voldoende moeten worden geacht. Het bestreden besluit kan dus niet worden gehandhaafd.
4.5. Het vorenstaande betekent dat het beroep gegrond is, dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, het bezwaar is eveneens gegrond en het besluit van 31 januari 2011 moet worden herroepen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat appellante ook vanaf 1 januari 2013 recht heeft op een aanvullende beurs naar de maximale omvang.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb de Minister te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 437,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 874,--.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar gegrond;
- herroept het besluit van 31 januari 2011;
- bepaalt dat appellante met ingang van 1 januari 2013 recht heeft op een aanvullende beurs
naar de maximale omvang;
- veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot
een bedrag groot € 874,--;
- bepaalt dat de Minister aan appellante het betaalde griffierecht van € 156,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) J.R. Baas
HD