ECLI:NL:CRVB:2013:CA1862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens zelfstandige werkzaamheden
Appellant ontving vanaf 3 januari 2005 een WW-uitkering die op 2 januari 2006 werd beëindigd omdat hij volledig als zelfstandige werkte. Het UWV herzag de uitkering per 20 januari 2009 op basis van een onderzoeksrapport en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, inclusief een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen de besluiten, waarbij een herbeoordeling leidde tot een lichte verlaging van de terugvordering en boete. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat geen dringende reden bestond om van terugvordering af te zien en dat de boete terecht was opgelegd.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn slechte financiële situatie een dringende reden vormde en dat de boete onterecht was wegens het ontbreken van subjectieve verwijtbaarheid. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat geen dringende reden bestond en dat appellant zowel objectief als subjectief verwijtbaar handelde. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
De Raad concludeerde dat appellant voldoende inkomen moet behouden volgens de beslagvrije voet en dat het UWV de invordering na tijdelijke opschorting heeft hervat zonder dat onaanvaardbare financiële gevolgen zijn aangetoond. De boete werd als evenredig beoordeeld gezien de ernst van de overtreding. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering en handhaaft de boete.