ECLI:NL:CRVB:2013:CA2732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- J.S. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op IVA-uitkering en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant is sinds oktober 2005 arbeidsongeschikt als gevolg van depressieve klachten en meldde zich vanaf mei 2007 volledig arbeidsongeschikt. Het UWV kende hem een loongerelateerde uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage tussen 65 en 80%, later verhoogd naar 80-100%. Appellant vorderde een IVA-uitkering, omdat hij meende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderzocht of appellant recht had op een IVA-uitkering en gaf het UWV opdracht dit te heroverwegen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de beperkingen van appellant niet duurzaam waren. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en stelde dat appellant onvoldoende medische gegevens had overgelegd die een duurzame arbeidsongeschiktheid aannemelijk maakten.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad vond de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts een voldoende basis om de IVA-uitkering te weigeren en benadrukte dat appellant geen bewijs had geleverd dat hij niet kon meewerken aan behandelingen die verbetering konden brengen.
Daarnaast stelde de Raad vast dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden en kende appellant een immateriële schadevergoeding van € 500 toe, waarbij de gehele termijnoverschrijding aan het UWV werd toegerekend.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een IVA-uitkering en ontvangt een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn door het UWV.