ECLI:NL:CRVB:2013:CA2811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag IOAW-uitkering wegens inkomen uit afvloeiingsregeling
Appellant is in maart 2007 ontslagen en ontving een afvloeiingsregeling die zijn inkomen aanvulde tot 80% van zijn laatstverdiende loon. Na het verstrijken van zijn WW-uitkering in mei 2010 vroeg hij een IOAW-uitkering aan, die werd afgewezen omdat hij inkomsten uit vroegere arbeid genoot die hoger waren dan de grondslag.
Appellant maakte bezwaar en verwees naar een bepaling in het Inkomensbesluit IOAW die stamrechtuitkeringen niet als inkomen in verband met arbeid zou beschouwen. Het college wees dit bezwaar af omdat appellant niet direct na beëindiging van het dienstverband een stamrecht had verkregen, maar een afvloeiingsregeling.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en de Centrale Raad van Beroep volgde dit, stellende dat de term 'beëindiging van de dienstbetrekking' in de wet duidt op een periode voorafgaand aan of kort na het einde van het dienstverband. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde eveneens. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag IOAW-uitkering wordt afgewezen omdat de periodieke uitkeringen uit de afvloeiingsregeling als inkomen in verband met arbeid worden aangemerkt.