ECLI:NL:CRVB:2013:CA3580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gekorte stagevergoeding
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college herzag de bijstand over een periode waarin appellant naast de uitkering een stagevergoeding ontving die niet op de bijstand was gekort. Het college vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug en hield maandelijks een bedrag in op de bijstand, inclusief verrekening met vakantiegeld.
Appellant voerde aan dat het college hem niet had geïnformeerd over de gevolgen van de stagevergoeding en dat het college de stageplek zelf had geregeld, waardoor hij mocht vertrouwen op een juiste uitkering. Ook stelde hij dat het college niet mocht invorderen zolang bezwaar en beroep nog niet definitief waren. Daarnaast verzocht appellant om ontheffing van de terugvordering op grond van artikel 4:84 Awb Pro.
De Raad oordeelde dat de stagevergoeding als middel moet worden meegerekend en dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit invloed had op de bijstand. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan. De invordering kon plaatsvinden ondanks lopend bezwaar en beroep, en ontheffing werd niet verleend omdat de beslagvrije voet werd gerespecteerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.