Uitspraak
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.G. van Binnendijk).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking de Bevelanden om ontvangen inkomsten van ruim €400,-, verkregen in 2024, te verrekenen met zijn bijstandsuitkering over augustus 2024. De rechtbank behandelde het beroep op 5 augustus 2025 en deed direct uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of de ontvangen gelden een stagevergoeding of een zuivere onkostenvergoeding waren. De rechtbank oordeelde dat de ontvangen bedragen niet als zuivere onkostenvergoeding konden worden aangemerkt, mede gelet op de betaalspecificaties en de beroepspraktijkvormingsovereenkomst. Hierdoor waren de gelden terecht als een middel in de zin van de Participatiewet aangemerkt.
Subsidiair stelde eiser dat een deel van de inkomsten vrijgelaten had moeten worden op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de Participatiewet. De rechtbank verwierp dit standpunt omdat de Bevelanden een werkwijze hanteert waarbij geen vrijlating wordt toegestaan indien inkomsten niet tijdig zijn doorgegeven, een praktijk die door de Centrale Raad van Beroep is geaccepteerd.
De rechtbank concludeerde dat de Bevelanden bevoegd was tot verrekening van de inkomsten met de bijstandsuitkering over augustus 2024 op grond van artikel 58, vierde lid, van de Participatiewet, zonder dat een afzonderlijk terugvorderingsbesluit nodig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de verrekening van inkomsten met de bijstandsuitkering is ongegrond verklaard.