ECLI:NL:CRVB:2013:CA3775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlies van werknemerschap door juridisch vrijwilligerswerk bij ideële instelling
Appellante ontving een WW-uitkering en volgde een deeltijdopleiding rechten. Zij verrichtte vrijwilligerswerk bij een rechtswinkel met toestemming van het UWV. Later wilde zij onbetaald juridisch werk doen bij Stichting Bureau Sociaal Raadslieden (BSR), een ideële instelling met onbetaalde medewerkers die volgens een rooster werken en gecoördineerd worden door een betaalde kracht.
Het UWV weigerde toestemming voor behoud van WW-uitkering bij dit werk, omdat het werk economisch van aard is en leidt tot verlies van werknemerschap. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het werk niet als traditioneel vrijwilligerswerk kan worden aangemerkt.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. Hoewel het werk onbetaald is, vertegenwoordigt het economische waarde en mag in het maatschappelijk verkeer een beloning worden verwacht. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel faalt omdat geen duidelijke toezegging bestond dat dergelijk werk met behoud van uitkering mocht worden verricht.
De Raad concludeert dat het werk bij BSR leidt tot verlies van werknemerschap en daarmee tot verlies van WW-recht voor het aantal uren dat wordt gewerkt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verlies van werknemerschap bij het verrichten van juridisch vrijwilligerswerk bij BSR bevestigd.