ECLI:NL:CRVB:2014:1128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds december 2008. Na een anonieme tip startte de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân een onderzoek naar een vermeende gezamenlijke huishouding met haar ex-partner, V. Dit onderzoek, inclusief sociale recherche, leidde tot het besluit van 30 mei 2011 om het recht op bijstand over de periode mei 2009 tot februari 2011 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg. Appellante voerde in hoger beroep aan dat dit onterecht was en dat de lange duur van het onderzoek tot matiging van de terugvordering moest leiden.
De Raad oordeelde dat uit verklaringen van appellante, V en buurtbewoners bleek dat V hoofdzakelijk bij appellante verbleef en hun maatschappelijk leven zich daar afspeelde. Daarnaast was er sprake van structurele wederzijdse zorg, waaronder financiële en huishoudelijke ondersteuning. Appellante had de inlichtingenplicht geschonden door deze feiten niet te melden, ook al was zij onzeker over de meldingsplicht.
De Raad vond geen reden om de terugvordering te matigen ondanks de lange onderzoeksduur en wees het beroep af. Ook waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, aangezien appellante zich niet onderscheidde van andere bijstandsgerechtigden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.